Perceval vergunt zijn Ivanov geen beschaafde facade

Voorstelling: Ivanov van Anton Tsjechov door Het Nationale Toneel. Regie-bewerking: Luk Perceval. Vertaling: Tineke Daniels. Decor: Katrien Brack. Spel: Roelant Radier, Marleen Stolz, Peter Tuinman, Bart Kiene, Peter van den Begin e.a. Gezien: 30-3, Koninklijke Schouwburg, Den Haag. Nog te zien: aldaar en elders t-m 30-5.

In Eugene O'Neills Strange Interlude, tijdens het laatste Theater Festival bekroond als de beste voorstelling van het vorige seizoen, markeerde regisseur Luk Perceval de overgangen tussen de bedrijven met harde donkerslagen en hartverscheurend trompetgejank. Treffend symboliseerden zij het verstrijken van de tijd en de voortschrijdende teloorgang van illusies. Anton Tsjechovs Ivanov, opgebouwd uit veel scenes en vier bedrijven, laat Perceval juist ononderbroken doorspelen. De aandacht wordt opgeeist door degene die het hardste schreeuwt, en zo nu en dan wordt dat ellebogenwerk beloond met een aparte belichting. Die aanpak bepaalt in hoge mate de sfeer van deze enscenering van Tsjechovs hoogstzelden gespeelde stuk: agressief, onontkoombaar, zonder adempauze.

Perceval verstaat de kunst zich onbevangen op te stellen zonder in naiveteit te vervallen. Zijn interpretaties zijn verrassend, maar op wonderlijke wijze vanzelfsprekend. De scene, bij voorbeeld, waarin Ivanov zijn vrouw Anna Petrovna bekent, dat zijn gevoelens voor haar vervagen, oogt op papier delicaat, op het larmoyante af. Op toneel spuwt Roelant Radier zijn onverschilligheid er met een pesterig hoge kopstem uit en klimt hij op een denkbeeldige motorfiets om er onder het uitstoten van vroem-vroemgeluiden vandoor te gaan. De toeschouwer ziet bij wijze van spreken de rook uit de knalpijp, waarin Ivanovs liefde opgaat en, wat hem betreft, ook zijn vrouw.

Omdat Perceval een radar heeft voor essentie, kan hij ongestraft minstens de helft van Ivanovs tekst schrappen. Ongestraft is trouwens het woord niet, Perceval wordt beloond voor zijn ingreep, in de vorm van helderheid. Hetzelfde geldt voor de rest van zijn bewerking: Tsjechovs lange, uitleggerige zinnen zijn teruggebracht tot staccato-uitroepen, die in volle vaart, als een ronkende motorfiets zal ik maar zeggen, op de toeschouwer afstevenen. Hagelschoten zijn chirurgische precisie-bombardementen geworden, die het publiek geen gelegenheid geven om op verhaal te komen.

Tsjechov staat voor spleen, verveling, landerigheid, voor de uitwassen van een te comfortabel en chic bestaan van wereldvreemde aristocraten.

Perceval nu, vergunt hen geen fa(c,)ade en nog minder gelooft hij in hun innerlijke beschaving. Met uitzondering van Anna Petrovna - de vermaledijde jodin - zet hij de personages neer als een groep platte, rauwe lomperiken, die ongegeneerd boeren en winden laten: een beeld dat waarschijnlijk heel wat realistischer dimensies heeft dan dat van door hoogstaande zieleroerselen geprangde deftigheid.

Kijk naar Zjoezjoeska (Leontien Nelissen), de vrouw van districtsbestuurvoorzitter Lebedjev: een concierge is het, met roddelbeluste ogen en een slangetong, uitsluitend monumentaal in haar antisemitisme. Ze heeft haar cliche-tirade tegen de joden nog niet achter de rug, of ze kermt al vol zelfbeklag over de negenduizend roebel die zij nog tegoed heeft van Ivanov. Dat hij die niet betalen kan, is uiteraard de schuld van die jodin. Dochter Sasja mag dan tegenwerpen dat “dat toch allemaal leugens (zijn), papa”. Maar papa zit zo onder de plak en is bovendien ook zo openlijk racistisch, dat hij reageert met een lakoniek: “En wat dan nog”.

Het is een aangepaste maar onvervalste Tsjechov die Perceval ons voorschotelt, compleet met anachronistische want hedendaagse moppen over minderheden, mitrailleurgewijs gedeclameerd door Bart Kiene in een travestierol. Daar tegenover staat de rabiate fatsoensrakker en lijfarts van Ivanovs ten dode opgeschreven vrouw, Lvov (een prachtige rol van Koen van Impe), die herhaaldelijk op het voortoneel bij het publiek zijn gelijk komt halen. Hij jammert met akelig ontblote tanden. Later, als de weduwnaar Ivanov afziet van een huwelijk met Sasja en de kermis pas goed op drift raakt, is hem dat niet meer voldoende en ontbloot hij, bij wijze van minachting, ook zijn achterwerk.

Meer nog misschien dan regisseur is Perceval een dirigent. De symfonische draaikolk waarin hij zijn acteurs plaatst - zijn enscenering deed me soms denken aan Kantors opzwepende Dodenklas - is kennelijk ook voor hen onontkoombaar. Er is een verademend gebrek aan stoorzenders onder de spelers. Roelant Radier als Ivanov is duidelijk niet de gelukkigste bezetting. Peter Tuinman die nu een aanstekelijk-patserige rentmeester speelt, had de rol ongetwijfeld indrukwekkender aplomb gegeven. Radier mist de vereiste muzikale motoriek, maar ook hij brengt het er in deze context toch nog redelijk vanaf. Zijn Ivanov is te weinig lichamelijk, maar wel helder.

De briljantste rol is die van de Vlaming Peter van den Begin als de graaf Sjabelski. Hij is een door en door Russische combinatie van melancholie, verlangen en drankzucht. Van een dronkemansscene weet hij, met een wijsvinger, een choreografie te maken. Terwijl hij lallend een verhaal afsteekt, priemt zijn vinger in het oor van zijn buurman, cirkelt vervolgens doelloos door de lucht, om het buitgemaakte oorsmeer ten slotte aan de revers van de rechtmatige eigenaar af te vegen. Met dit even superieure als geestige gebaar evenaart Van Den Begin de prestatie van zijn regisseur.