Nationalisme

In Amsterdam weet ik wel iemand die zo'n zwarte vlag met doodshoofd en het opschrift, in het servokroatisch, 'Vrijheid of dood' best op prijs zou stellen.

En met enige schroom begeef ik mij dus voor vertrek naar het standje op straat waar Servisch-nationalistische krantjes en symbolen verkocht worden - want het zijn ruwe klanten met baarden die daar staan en het besef dat niemand ter wereld de historische nationale trots en rechten van Servie erkent, behalve de Serviers zelf dan, is hier wijd verbreid. De kooplieden bieden allerlei vlaggen en portretten te koop aan, veelal van baardige personen uit het verleden die een frappante gelijkenis vertonen met het huidige nationale idool Vuk Draskovic, alsmede cassettebandjes met strijdliederen van lang verboden groeperingen, waarmee ik weinig persoonlijke affiniteit vermoed.

Bij gebrek aan actieve beheersing van het servokroatisch besluit ik mij in het Russisch uit te drukken, in de veilige wetenschap dat de panslavische gedachte hier nog alleszins tot het courante gedachtegoed behoort. Deze stap blijkt een gelukkige: de kooplieden bezweren mijn Russisch prima te verstaan, al spreken ze het niet. De zwarte vlag is helaas uitverkocht maar met mijn belangstelling voor 'Vrijheid of dood' is de basis voor een gesprek gelegd. Dat wordt in de eerste plaats gevoerd door een zekere Nadja, een vrouw van middelbare leeftijd die eerder met schelle stem de voorbijgangers in de winkelstraat “de waarheid over Servie” had aangeprezen.

Ik spreek Russisch, aha, dan weet ik zeker wel hoe de zaken er inmiddels voorstaan in Moskou, nadat Gorbatsjov heeft bezworen de pro-Jeltsinbetogers tegen te houden. “Het gaat daar net als hier”, weet Nadja, voor Gorbatsjov lees Milosevic (de ex-communistische president van Servie) en Jeltsin is de Russische Draskovic.

Hoe komt het dat Nadja zo goed Russisch spreekt? “Omdat ik in Kisjinjov (in Moldavie) geboren ben”, vertelt ze, “pardon, momentje, gaat u even opzij. Lees de waarheid over Servie! Hoe Milosevic op zijn eigen volk liet schieten! Lees de nieuwe krant 'Groot Servie'! Lees 'Servische orthodoxie'!”

Dan richt ze zich weer tot mij: “Dat moest even, ziet u wel, die militieagenten die voorbijkwamen, schamen ze zich niet, Serviers die op Serviers schieten! Hun eigen volk!” Nadja is zelf echter helemaal geen Servische, maar joods. Op mijn vraag naar haar nationaliteit haalt ze trots een gouden zespuntig sterretje uit haar corsage. Haar ouders behoorden tot de groep van de 'Boechara-joden', een fascinerende groepering met een geheel eigen diaspora-geschiedenis. Ze waren “heel rijk” geweest maar na de revolutie van 1917 en de Russische burgeroorlog westwaarts gevlucht naar Kisjinjov. Ten tijde van Roemeense opmars in die streken, vluchtten ze verder westwaarts naar Novi Sad - hoofdstad van de huidige Servische provincie Vojvodina - om daar vervolgens jammerlijk om te komen in de handen van Hongaarse veroveraars, die korte metten maakten met Serviers, joden en zigeuners op hun pad.

Kijk, Servie was een veilige haven en daarom kan Servie in Nadja's ogen geen kwaad doen. Alleen die Milosevic, die deugt niet. Nadja neemt hem met name ook kwalijk dat hij zich heeft verzet tegen de opening van een Israelische ambassade in Belgrado, en ze verkeert in de veronderstelling dat zij, als er zo'n ambassade was, daarvan financiele ondersteuning zou ontvangen. “Van de 400 dinar pensioen, kun je niet leven.”

Op slag heb ik spijt van alle nare dingen die ik, gelukkig niet als enig Westers journalist, over dat Servische nationalisme heb geschreven. Dat doet geen recht aan de trots van een volk dat, als een der weinige vermoedelijk, als basis voor het nationaal gevoel een nederlaag heeft, die tegen de Turken tijdens de slag bij Kosovo, 1389.

Laat staan dat het recht doet aan de slavische solidariteit, waaraan Nadja haar leven dankt. Het is alleen zo jammer, dat het romantisch gevoel der Serviers zo'n ramp blijkt voor hun onmiddellijke omgeving.

“Vergeet niet Rusland de groeten te doen, als je er weer eens komt!”, roept Nadja ten afscheid.