Denekamp houdt Paastraditie in ere

DENEKAMP, 2 april - “Hij geet veur de top!” “Nee, dat gleuf ik nie.”“Joa, kiek dan man.” De twee Denekampers turen omhoog langs de denneboom die de Heer van Singraven even daarvoor heeft aangewezen als de 'Poasstoak'. Hun aandacht en die van de honderden toeschouwers wordt verdeeld tussen 'Theo met de bijl' die onder de boom al flink tekeer gaat en de jongeman die Judas is en wiens overall bovenin de twintig meter hoge den nog net te zien is.

Gekraak weerklinkt en dan gejuich: Judas heeft de top uit de boom gehaald. Hij haast zich naar beneden, waar tientallen mannen staan te trekken aan het aan de boom bevestigde touw om hem neer te halen. De laatste twee meter springt Judas en hij straalt van trots als hij de top aan de Heer van Singraven overhandigt. Uit sneden en schaafwonden stroomt bloed. Het deert niet, want dat is morgen vergeten. Zo niet zijn prestatie, die in de ongeschreven annalen van de Denekamper paasgebruiken wordt bijgezet.

Het is eerste Paasdag en dit is het land achter de Dinkel, het stukje Twente dat al bijna Duits is. Land waar tradities in ere worden gehouden, vooral wanneer ze met bier en genever overgoten kunnen worden. Zo zijn er met Pasen in Ootmarsum de 'Paoskeerls', de jonge, ongetrouwde mannen die hand in hand met een stoet dorpsgenoten de boerderijen van voor- naar achterdeur doortrekken. En is er in Denekamp het 'Poasstoak sleep'n', een gebruik waarvan niemand weet waartoe het dient, noch van wanneer het dateert. Maar zeker uit de vorige eeuw, weet de B. Dakman (70), want toen was zijn vader al 'Judas'. Hijzelf was het in de jaren '30 maar liefst vijf keer.

Judas en Iskariot zijn de namen van de jongens die het middelpunt van de festiviteiten zijn. Op Palmzondag hebben ze geld opgehaald langs de deuren: het 'eier gaddern'. Paaszaterdag is hout ingezameld voor het paasvuur. “En dan hej dat geld wa neudig”, zegt Dakman. Achthonderd man moesten daarna in het cafe van drank worden voorzien.

Op Paaszondag verzamelt men zich tegen enen voor de St. Nicolaaskerk, waar de klokken beieren. Judas en Iskariot voorop, om hen heen autochtone mannen. Een begint te zingen: “Heden is de grootste dag- dat Christus opstond uit het graf.” Allen vallen in: “'s morgens vroeg om deze tijd- tot vreugd der gansche Christenheid.” Zingend loopt men het dorp uit richting Huize Singraven. Daar wordt de eigenaar van het landgoed om een boom, de poasstoak, gevraagd. “Wie bint Judas en Iskariot uut 't dorp, en wie wolt vroagen of-ie 'n poasstoak veur ons hebt.” De Heer van Singraven, telg uit het oude Twentse textielbaronnen-geslacht Van Heek, gaat de stoet voor het bos in en zoekt een boom uit. Die wordt geveld en onder het gezang van Paasliederen naar het dorp gesleept.

Daar wordt de boom op het kerkplein gelegd. Even later galmt uit de kerk, waar de mensen tot in de deuropening staan, het 'U zij de glorie, ohopgehestaaane Heer'. Aan de overkant, in De Kul, voorheen het Dorstige Hert, is het zo mogelijk nog voller: daar laven 'de mannen' hun dorst met door Judas en Iskariot aangedragen bier. Na een half uur komen beide groepen weer bij elkaar en gaat het naar de weide waar de 'poasstoak' een plaats krijgt. Een teerton wordt in de top bevestigd en met behulp van ladders wordt de den opgericht.

Dan mag de Judas zijn loon binnenhalen. Bij opbod verkoopt hij, hoog in de boom gezeten, de poasstoak en de ringen van de teerton. De 1.000 gulden opbrengst mag hij delen met Iskariot. Hij maakt ook bekend wie later op de avond de teerton zal aansteken. “En wat krig hij daar dan veur?”, vragen de mannen in koor. “Twee fless'n genever”, moet Judas antwoorden. Die worden daarop soldaat gemaakt in De Kul. En om achten gaat het weer, zeer gesmeerd zingend, naar de weide om de teerton aan te steken en het paasvuur. “Of nu den Satan raascht en tiert- den Leeuw uit Juda zeegeviert. Alleheluja.”

    • Frank Poorthuis