De Buffel van Gelderland vindt zich nog veel te lief; Jans Koerts won al als jongen van negen jaar altijd

HOOGEVEEN, 2 april - Voor even was 'De Buffel van Gelderland' zaterdag tijdens de Ronde van Drenthe weer gewoon Jans Koerts uit Eefde. Na amper vijftig kilometer demarreerde de zo succesvolle amateurwielrenner om zijn langs het parcours staande opa gedag te kunnen zeggen. Daarmee keerde Koerts tijdelijk terug naar de hem sierende eenvoud en bescheidenheid waaruit een golf van publiciteit hem de laatste weken leek te hebben weggesleurd.

Koerts beantwoordt in het dagelijkse leven nauwelijks aan het beeld dat hij met zijn sportieve prestaties bij het grote publiek oproept.

Achter de winnaar van de Ster van Zwolle, de Ronde van Noord-Holland en de Omloop van de Baronie, drie belangrijke voorjaarsklassiekers bij de amateurs, gaat nog altijd de bakkersknecht uit Zutphen schuil.

Sinds begin maart geldt hij als 'fulltime-amateur'. Banketbakken en het rondbrengen van bestellingen hebben plaatsgemaakt voor het bijna dagelijks beklimmen van de Posbank en Holterberg.

De 21-jarige renner ondergaat elke keer weer een metamorfose wanneer hij zich in wielerkleding hult. Als het spijkerjack is verruild voor het nauw sluitende tricot van de Koga Miyata-ploeg, verandert zijn gemoedelijke aard (“Ik ben vaak veel te lief”) in fanatisme. “Bij trainingen en wedstrijden kan ik blijven gaan, dan zitten ze te sterven in mijn wiel”, schetst Koerts het verschil tussen hem en de anderen. Koerts traint liever alleen, terwijl op zijn walkman op lange tochten top-40 muziek speelt. Oefensessies met de ploeg krijgen steevast een vervolg met een onderonsje tussen trainer Ben Scheperkamp en Koerts, waarbij de intervaltraining een wat grimmiger karakter krijgt.

Het tekent de solistische instelling van Koerts. Hij koos op negenjarige leeftijd voor het wielrennen omdat hij zich bij de voetbalvereniging Eefde de woede van de overige voetballertjes op de hals haalde wegens zijn veelvuldig gepingel. Toen al groeide het besef dat een individuele sport hem beter lag. “Daar is de uitdaging groter en krijg je loon naar werken, een fijn gevoel”, verklaart hij. Toen zijn vader een fiets kocht, juist in de periode dat de Tour de France in Nederland aan populariteit won, was de keuze snel gemaakt.

Sindsdien is Koerts met sportieve successen opgegroeid. Waar leeftijdgenootjes zich tijdens de 'dikkebanden-wedstrijden' poogden te bekwamen in het imiteren van wielercoryfeeen, fietste Koerts zo hard hij kon. Hij won altijd. “Ik heb nooit een echte favoriete wielrenner gehad. Vriendjes hadden hun kamer volhangen met posters, ik niet. Joop Zoetemelk en Johan van de Velde vond ik wel aardige renners maar daarmee hield het op.”

Met sportieve tegenslag werd Koerts pas op 13-jarige leeftijd geconfronteerd. “Toen verloor ik mijn eerste wedstrijd, iemand reed me zomaar voorbij. 'Ik moest eraf, hoe kan dat nou?', vroeg ik aan mijn vader. Ik snapte er niks van en ben als een bezetene gaan fietsen. Sindsdien kan ik het opbrengen om voor mezelf te trainen en af te zien, helemaal alleen.” In het door zijn vader gebouwde krachthonk achter het ouderlijk huis kan de solist Koerts zichzelf zijn. Een roeiapparaat en de tunturi, een op eigen kosten aangeschafte geavanceerde home-trainer waarop Koerts wedstrijdsituaties nabootst, helpen hem in eenzaamheid te werken aan de voltooiing van wat moet leiden tot een professionele wielerloopbaan.

Belangrijk daarbij is de rol van steun en toeverlaat Ben Scheperkamp, die hem weet af te remmen als zijn pupil met al te groot enthousiasme aan de slag gaat. De ex-beroepsofficier staat te boek als een iemand die met Spartaanse hand regeert bij het opleiden van jonge renners maar geeft Koerts vreemdgenoeg een zekere autonomie in het vaststellen van de hoeveelheid trainingsarbeid. “Scheperkamp zegt de me alleen wat ik kan doen, hij geeft me de vrijheid om te beslissen of ik zijn adviezen opvolg.”

Scheperkamp is volgens Koerts misschien wel de belangrijkste schakel in de keten waaraan hij het ene na het andere succes rijgt. De trainer, die zich naast de gangbare trainingsmethoden ook bedient van voor wielrenners vreemde varianten als zwemmen en yoga, raakte diep onder de indruk van Koerts bij de trainingen voor de ploegentijdrit van Almere en zag voor hem een profcarriere in het verschiet liggen.

Vorig jaar al gaf Koerts blijk van zijn capaciteiten met overwinningen in het Gelders kampioenschap, de laatste etappe in Olympia's Ronde, de eindoverwinning in de Sachsentour en tien criteriums in het najaar.

In het nog prille wielerjaar van 1991 verbaast Koerts vriend en vijand maar beschouwt hij zelf zijn drie overwinningen in de voorjaarsklassiekers als een logische stap in zijn ontwikkeling. De daaraan gekoppelde belangstelling van de media en enkele profploegen (Tulip, Panasonic en PDM, met de laatste bereikte hij inmiddels een mondelinge overeenkomst over een profcontract) is door Koerts echter nauwelijks te bevatten. Paradoxaal genoeg brengt juist datgene waar hij sinds jaar en dag naar streeft hem thans op sommmige momenten in verlegenheid. Straks als profrenner is het allemaal anders, beseft de jeugdige vrijgezel. “Als ik met een meisje praat, weet ik al gauw niet meer waar ik het over moet hebben. Ik weet het meeste te vertellen over wielrennen. Als je wat meer in de belangstelling staat, gaat het allemaal veel gemakkelijker.”