Haar schoenpunten wijzen naar binnen; Agnes Martin in het Stedelijk Museum

De Amerikaanse kunstenares Agnes Martin leidt een kluizenaarsbestaan in de woestijn van New Mexico. Haar werk, voornamelijk geschilderde rasters in zachte kleuren, lijkt de laatste jaren grijzer geworden maar heeft nog niets van zijn lichtheid verloren. Ook haar boodschap is hetzelfde, haar werken hebben titels als Happy Valley, Desert Flower en Fiesta. “Het is echter de vraag of onze respons, zoals Martin denkt, ook onveranderd is gebleven.”

Agnes Martin. Schilderijen en tekeningen 1974-1990, Stedelijk Museum, Amsterdam. Tot 13 mei. Dagelijks 11-17 uur. De tentoonstelling reist vervolgens naar Wiesbaden, Munchen en Parijs.

De film 'Gabriel' (1977) van Agnes Martin is in het Stedelijk te zien: iedere woensdag om 15.00 uur en iedere zondag om 14.30 uur (in het paasweekeinde doorlopend op video).

Catalogus met teksten van Agnes Martin, Marja Bloem, Erich Franz en Mark Stevens. (Nederlands, Frans, Duits, Engels) 160 blz. Prijs fl. 75, -

Het bekijken van de schilderijen van Agnes Martin doet denken aan een vliegreis. Het is alsof je na een rommelig, gehaast vertrek van een druilerig vliegveld uit het raampje kijkt en boven de wolken plotseling het heldere licht ontdekt en de onmetelijke lege ruimte. Haar schilderijen verbeelden echter geen hoger sferen, maar gaan over het ervaren van schoonheid en geluk. Dit gevoel, dat we soms krijgen als we uitkijken over de oceaan of over een uitgestrekt landschap, zit niet in het landschap, maar in onszelf. Schoonheid en geluk zijn iets abstracts, ze staan los van de concrete werkelijkheid, schrijft Martin.

De Amerikaanse kunstenares Agnes Martin, wier werk te zien is in het Stedelijk Museum Amsterdam, maakt sinds het begin van de jaren zestig abstracte schilderijen opgebouwd uit rasters in dunne potloodlijnen. De kleuren zijn zacht en teer: wit, geel, roze en lichte grijzen en blauwen. Martin schildert met dunne acrylverf en Oostindische inkt die zij losjes opbrengt op een gipsachtige ondergrond. De lijnen, die met een liniaal zijn getrokken, hebben, door kleine onregelmatigheden die vooral van dichtbij goed te zien zijn, niets mechanisch of onpersoonlijks. Het formaat van de schilderijen is steeds 183 x 183 cm. De rasters zijn rechthoekig en de lijnen lopen vaak niet door tot aan de randen waardoor ze zich als het ware los zingen uit het strakke vierkant en er een ondefinieerbare, lichte ruimte ontstaat.

Aan het eind van de jaren zeventig verdwijnen de verticale lijnen. De schilderijen bestaan nu uit horizontale banen van verschillende breedte. Dat Martin het raster nooit definitief heeft losgelaten blijkt uit enkele van de tien tekeningen die zij speciaal voor deze tentoonstelling maakte. Deze werden voor de catalogus een voor een (22, 5 x 22, 5 cm) gereproduceerd op losse bladen (doorschijnend) calque papier. Het werk van Martin is eigenlijk niet te reproduceren, maar dit is een heel aantrekkelijke oplossing van het probleem.

Al eerder, in 1977, organiseerde het Stedelijk Museum een overzichtstentoonstelling van Martin. De huidige expositie is een vervolg hierop en omvat schilderijen en tekeningen uit de periode 1974-1990. In de eerste zaal zijn als herinnering aan hetgeen voorafging drie schilderijen gehangen uit 1965-67. Ze hebben titels als Morning, Happy Valley en Grass; later hebben de schilderijen, behalve een aantal werken uit 1985 (Desert Flower, Lemon Tree, Praise, en Fiesta), geen titels meer. Een andere uitzondering is het twaalfdelige werk The Islands (1979) uit de Saatchi-collectie. Dit werk bestaat uit horizontale banen die in verschillende ritmes, breed-smal, dichtbij-ver uit elkaar, op de doeken zijn aangebracht. De kleuren zijn wit en een nuance lichtblauw die zich nauwelijks zichtbaar van het wit onderscheidt. Deze schilderijen ademen een ijle atmosfeer, een roerloos ritme.

Coenties Slip

Agnes Martin werd in 1912 in Saskatchewan, Canada geboren. Ze groeide op temidden van de uitgestrekte korenvelden, haar vader was een graanboer, oorspronkelijk afkomstig van het Schotse eiland Skye. In 1957 vestigde ze zich in New York, waar ze in Coenties Slip woonde, een gebouw waar ook andere jongere kunstenaars als Ellsworth Kelly een atelier hadden. In deze jaren ontwikkelt zij haar eigen vormentaal, waarmee ze een zekere bekendheid krijgt. Haar generatie is die van de eerste abstract expressionisten als Newman (1905-1970), Pollock (1912-1956), Reinhardt (1913-1967) en Rothko (1903- 1970).

In 1967 verlaat zij New York en vestigt zich in New Mexico. Zij schildert niet meer, bouwt haar eigen huis en atelier in de woestijn en schrijft. In 1972 doet zij voor het eerst weer een serie prenten het licht zien, getiteld On a Clear Day. Twee jaar later hervat zij het schilderen. Eenzaamheid en onafhankelijkheid zijn voor haar voorwaarden om te kunnen werken. Martin, die nu 79 jaar is, leidt nog steeds een kluizenaarsbestaan in haar eenvoudige huis zonder televisie. Slechts af en toe doorbreekt zij haar afzondering. Interviews geeft ze zelden maar haar lezingen en notities zijn wel gepubliceerd.

Uit deze teksten blijkt hoe zij, net als de andere abstract expressionisten, tracht een antwoord te vinden op de vraag naar inhoud en betekenis van de abstracte kunst. In het modernisme is er door het verdwijnen van de figuratie en de zogenaamde reductie van de beeldende middelen een ongrijpbare rijkdom aan (mogelijke) betekenissen ontstaan. Interessant is het dat Martin in haar overwegingen ook de reactie van de toeschouwer op een kunstwerk betrekt. De kunstenaar moet volgens haar trots en angst laten varen en zijn geest bevrijden van alles wat overbodig is. Pas als hij helemaal 'leeg' is, zal hij ontvankelijk zijn voor inspiratie, voor momenten van geluk en perfectie en in staat zijn met zijn kunst dit soort momenten ook op te roepen bij de toeschouwer. “Artists try to maintain an atmosphere of freedom in order to represent the perfection of those moments. And others searching for the meaning of art respond by recalling their own free moments.” Een kunstenaar volgt zijn inspiratie en houdt geen rekening met de reactie van de toeschouwer. Diens respons hangt af van zijn eigen inspiratie en sensibiliteit.

Kunst is voor Martin gebaseerd op emoties en niet op ideeen. Kunst is niet mystiek of ethisch. Haar schilderijen zijn - ondanks sommige titels - geen abstracties van de natuur om haar heen: al voor zij in New Mexico ging wonen, had zij haar eigen idioom gevonden en dat is sindsdien niet wezenlijk veranderd. “Ik schilderde niet de vlakte, ik trok gewoon de horizontale lijn.” Haar schilderijen gaan niet over de natuur: “It is not what is seen, it is what is known forever in the mind.”

ZEN

Martin heeft, zo blijkt uit haar teksten, invloed ondergaan van Oosterse filosofieen als Zen en Taoisme. Wat zij schrijft is over het algemeen zeer de moeite waard, maar af en toe heeft zij wel iets van een orakel met haar levenswijsheid en goede raad. Of is het gewoon onwennigheid na al dat postmoderne relativeren, anything goes... en geven woorden als Geluk, Vreugde, Perfectie, Schoonheid, Vrijheid daarom nu een beetje een onbehaaglijk gevoel? Als ik haar teksten lees over nederigheid en een onvoorwaardelijke overgave aan het leven, herinner ik mij die foto van de kunstenares. Ze zit een beetje ineengedoken op een stoel met haar handen in haar schoot. Op haar broek zitten verfvlekken en de punten van haar schoenen wijzen naar binnen. Het contrast tussen dit beeld en de oorspronkelijke en sterke persoonlijkheid die uit haar oeuvre naar voren komt is groot.

In 1977 maakte Martin een film Gabriel, waarin zij op aandoenlijke, amateuristische wijze zichtbaar tracht te maken wat haar beweegt. We zien lange shots van de zee, bergen, bloemen, een snelstromende rivier, een bergmeer, water en een ongeveer tienjarig jongetje dat door het landschap wandelt. De film, die anderhalf uur duurt, begint met een shot van de jongen, op de rug gezien, uitkijkend over de zee. Dit beeld herinnert aan het beroemde schilderij De monnik bij de zee (1808-10) van de Duitse romantische schilder Caspar David Friedrich. Ook de manier waarop ze door boomstammen heen, of met een tak op de voorgrond het glinsterende, stromende water filmt, doet denken aan romantische schilderijen met een venster dat uitzicht biedt op een oneindige verte. Deze beelden zijn verwant met de rasters in haar schilderijen en geven misschien aan hoe die bekeken zouden kunnen worden. Door de film lijkt het of Agnes Martin aansluit bij de 'Northern Romantic Tradition' van de Amerikaanse kunsthistoricus Robert Rosenblum, die in zijn boek een verband legt tussen kunstenaars als Friedrich, Mondriaan, Newman en Rothko. Zij hebben een religieus getinte beleving van de schepping gemeen. Of zoals de door Martin zeer bewonderde Rothko het eens verwoordde: “Ik wil alleen maar elementaire menselijke emoties uitdrukken zoals tragedie, extase, ondergang... En als de mensen voor mijn schilderijen in huilen uitbarsten dan hebben ze dezelfde religieuze ervaring als ik bij het schilderen.”

KOEL

De schilderijen van Martin onderscheiden zich echter van deze traditie, ze zijn met hun koele kleuren en heldere ordening niet romantisch maar klassiek. Martin legt weliswaar ook nadruk op een innerlijke beleving, maar die is bij haar niet religieus, zoals zij schrijft, maar verbonden met het klassieke ideaal van evenwicht, eenvoud en perfectie. Haar oeuvre past meer in de traditie van Cezanne die met zijn schilderijen een 'harmonie parallel aan de natuur' wilde creeren.

De hernieuwde kennismaking, na veertien jaar, met het werk van Agnes Martin valt niet tegen. Anders dan bij de film waar de lieflijke onschuild mij al snel ging vervelen, hebben haar schilderijen hun zeggingskracht behouden. Van een ontwikkeling is overigens geen sprake: haar thema's en taal waarin zij die tot uitdrukking brengt, blijken niet te zijn veranderd. Het is echter de vraag of onze respons, zoals Martin denkt, ook onveranderd is gebleven. Zij ziet die respons als 'de enige tijdeloze bezigheid in een veranderende wereld', 'niet aan een cultuur gebonden'; 'een kunstwerk is geen uitdrukking van een cultuur.' Toch is haar werk in het verleden op verschillende, vaak discutabele manieren gepresenteerd. Als minimal art, een kunststroming die op rigoureuze wijze elke persoonlijke expressie van de hand wees (Frank Stella: 'You see what you see'). Of als 'Fundamentale schilderkunst', op de gelijknamige tentoonstelling die in 1975 in het Stedelijk werd gehouden en waarbij de nadruk sterk lag op de handeling van het schilderen. Beide interpretaties doen geen recht aan het evocatieve karakter van haar werk.

Zelf herinner ik mij van de tentoonstelling in 1977 vooral een sterke zintuiglijke ervaring van lichtheid en helderheid. Dat is veertien jaar later niet veranderd - ook niet door de diepgrijze schilderijen uit 1989 die nu in de laatste zaal hangen. Ze roepen gedachten op aan de dood, maar er gaat ook een grote rust van uit. Het vliegtuig daalt en is teruggekeerd in de grijze wolken. “Schoonheid illustreert geluk... De helder blauwe hemel illustreert een ander soort geluk, en de vage donkere nacht weer een ander. Er bestaat een eindeloos aantal soorten geluk.”