Frits Bolkestein: Natuurlijk lees ik ook liever Tolstoj dan Pietje Puk

's Ochtends, in de trein heen, leest Frits Bolkestein kamerstukken, 's middags, in de trein terug, romannetjes. Meestal pockets, die hij bladzij voor bladzij weggooit. Gemiddeld leest hij een boek per week. Hij vindt het jammer dat er geen Nederlandse toneelschrijver is die een stuk schrijft over Philips. En voor het slapen gaan leest hij Propria Cures, “dat kan ik nog net aan.”

“In het lezen ben ik buitengewoon gestimuleerd door mijn moeder. Ik herinner me dat we, toen ik ziek was, samen De boeken der kleine zielen lazen. Dat boek ging steeds tussen ons heen en weer en zo konden we het gelezene uitvoerig met elkaar bespreken. Mijn vader moedigde me weer op een andere manier aan. Die drukte me op het hart, om sommige boeken keer op keer te herlezen. Zo kende je, vond hij, ten minste een paar dingen heel goed in plaats van veel dingen een klein beetje.

“Boeken als Hollands glorie, Dokter Vlimmen en Merijntje Gijzen ken ik daardoor inderdaad uitentreure. Ze hebben een zeer grote indruk op me gemaakt. Daarvoor, nog op de lagere school, las ik graag over de Boerenoorlog - over de Slag bij Kolenzo en de Slag bij Bloedrivier en dat soort zaken meer. Ik maakte er uittreksels van, die ik liet drukken op de hectografeermachine van een vriendje. We verkochten het resultaat en combineerden zo het aangename met het profijtelijke. Met de dubbeltjes die we verdienden, kochten we nieuwe afleveringen van Dick Bos.

“Op het Barlaeus en later op de universiteit las ik de boeken die toen in de mode waren: Du Perron, Ter Braak, Vestdijk en gedichten van Greshoff. Er werd veel over gekletst waarom dat nu mooi was. Later lazen we vooral Franse literatuur. Veel Sartre, vooral de verhalen en romans.”

Veel bellettrie dus in jeugd en studententijd. Is dat nog steeds zo?

“Nee, mijn aandacht is verschoven naar de non-fictie. In de zestien jaar dat ik voor de Shell werkte, van 1960 tot 1976, las ik heel veel romans. Het vormde een soort tegenwicht tegen het zakelijke werk waarmee ik mijn brood verdiende. Maar sinds ik in de politiek ben gegaan, is dat veranderd. Niet omdat ik romans en bellettrie ineens niet meer interessant zou vinden, maar omdat reality is even stranger than fiction.”

Heeft een politicus veel tijd om te lezen?

“Dat hangt een beetje van zijn persoon en functie af. Toen ik als beginneling in de Kamer zat, heb ik heel hard moeten werken, want het kamerlidmaatschap is waarlijk niet eenvoudig. Ik had toen weinig tijd om er dingen naast te lezen. Als staatssecretaris en minister was mijn bestaan veel regulierder en geordender en had ik meer emotionele ruimte om dingen naast mijn werk te doen. Maar in mijn huidige baan is mijn schootsveld ineens weer heel breed geworden.”

Van politici wordt vaak smalend gezegd dat ze nooit een boek lezen. Hoe zit dat in de huidige Tweede Kamer?

“Daar wil ik geen algemene uitspraak over doen. De 150 leden van de Kamer moeten ontzettend veel werk verzetten en ik kan me indenken, al weet ik dat absoluut niet zeker, dat het lezen van bellettrie daar een beetje onder lijdt.”

Toch is dit jaar een fractieleider van een grote partij juryvoorzitter van de AKO-literatuurprijs. Hoeveel boeken moet je daarvoor wel niet lezen?

“Ach, ik heb ze niet geteld, een stuk of twintig. Er zijn ongeveer 190 inzendingen geweest en er is een jury van vier mensen die er echt iets van afweet. Elk boek wordt door ten minste twee leden van de jury gelezen voor een deskundige beoordeling. In de loop van de winter kwam er een aantal titels boven drijven en daar heb ik er als voorzitter zo'n twintig van gelezen.”

Integraal?

“Ik vind het heel moeilijk om in een boek niet alles te lezen. Dat is niet zozeer een kwestie van 'Es ist bezahlt, es soll herunter', maar meer van 'Daar ben je aan begonnen en dus zul je het ook afmaken'.”

Valt er nooit iets zo tegen dat het maar beter is om te stoppen?

“Ja, een enkele keer wel. En soms lukt het gewoon ook niet. Berlin Alexanderplatz bijvoorbeeld, daar ben ik aan begonnen, maar halverwege weer mee gestopt omdat ik het Berlijnse dialect te moeilijk vond. Misschien was ik er wel uitgekomen met een woordenboek, maar zo belangrijk was het nu ook weer niet. Ik heb me daarom maar getroost met de fantastische televisieserie van Fassbinder.”

Welke vreemde talen komen er nog meer aan bod?

“Behalve Duits en Nederlands lees ik Frans, Engels en Spaans. Toen ik in Indonesie woonde las ik ook Bahasa Indonesia, maar dat zou ik nu niet meer kunnen. Evenmin als Swahili overigens, dat ik in Afrika heb geleerd. Als je een taal niet bijhoudt, raak je hem kwijt.”

Hoe meer vreemde talen je leest, hoe groter de concurrentie voor het Nederlands.

“Zeker. Alles concurreert met alles: lezen met werken, fictie met non-fictie, Nederlandse fictie met buitenlandse fictie. Karel van het Reve heeft eens gezegd: waarom zou je Pietje Puk lezen als je ook Tolstoj kunt lezen? Dat is een verdomd goeie vraag. Ik lees uiteindelijk ook liever Tolstoj dan Pietje Puk.”

Een langdurig buitenlands verblijf heeft als voordeel dat je de Nederlandse literatuur met een zekere distantie tegemoet kunt treden.

“Ja, doordat ik toen voornamelijk buitenlandse fictie las heb ik een enigszins internationale blik. Maar het nadeel is, dat ik daardoor geen duidelijke indruk heb van de Nederlandse literatuur van na 1960. Aan wat ik daarvan gelezen heb, valt me op dat het bijna uitsluitend over persoonlijke verhoudingen gaat, veelal toegespitst op seks. Dat is geen originele observatie, het is bijvoorbeeld ook opgemerkt door Rentes de Carvalho. Het gaat bij ons vrijwel nooit over politiek of over ondernemingen. Dat zijn twee grote domeinen van het openbare leven die voor Nederlandse romanschrijvers terra incognita lijken te zijn.”

En dat is jammer?

“Ja, dat vind ik wel. Neem nu het geval-Aantjes, dat was toch buitengewoon dramatisch. En kijk naar wat er nu met Philips gebeurt, dat zijn toch gebeurtenissen van zeer verstrekkende betekenis. Ik denk dan: man, dat is gefundenes Fressen voor een goede toneelschrijver, je zou je daarover een machtig stuk kunnen maken. Maar in het Nederlandse toneel is men alleen maar steeds op zoek naar nieuwe vormen.”

Hoeveel tijd kan er af voor het lezen van boeken?

“Gemiddeld lees ik ongeveer een boek per week, en dan heb ik het zowel over romannetjes van 130 bladzijden die je in een avond uitleest als over biografieen van 400, 500 bladzijden. Per dag lees ik toch al gauw een uur in een boek.”

In de trein of thuis?

“Allebei. Sinds ik minister-af ben, reis ik weer per trein van Amsterdam naar Den Haag. Dat betekent twee maal vijftig minuten waarin je kunt lezen. Het voordeel van het openbaar vervoer is dat het je ritme vertraagt en dat je tijd hebt om je te concentreren. 's Ochtends ben ik nog fris en lees ik stukken voor de Kamer. Op de terugreis heb ik daar geen zin meer in en lees ik romannetjes. Meestal zijn dat pockets die ik van plan ben om weg te gooien, bijvoorbeeld omdat ik ze dubbel heb of omdat ik er op uitgekeken ben. Ik heb daar een apart stapeltje voor.”

Laat eens zien.

“Kijk, hier: Gide, Faulkner. Die heb ik dubbel en al eens gelezen. Ik herlees ze nog een keer en dan gooi ik ze weg. En hier: een toneelstuk van Balzac; Mary McCarthy, The company she keeps; Maarten 't Hart, De ortolaan. Het is wat je noemt een mixed bag. Ik ben nu zevenenvijftig en als ik zulke pockets tegenkom in de kast denk ik: wat zal ik er mee doen? Is het iets om tot mijn dood te bewaren en te vermaken aan mijn kinderen? Nee, denk ik dan vaak, het is meer iets voor in de trein.”

En als ze uit zijn, verdwijnen ze in de prullenbak?

“Nee, ik gooi ze geleidelijk weg, stukje bij beetje. Zodra ik een bladzijde heb gelezen, scheur ik hem uit. Ik heb die gewoonte opgevat toen ik in Claygate vlakbij Londen woonde en elke dag 23 minuten op en neer reed naar Waterloo Station. Ik heb zo bijvoorbeeld de hele Moby Dick gelezen. Het voordeel is, dat het boek dunner wordt en steeds beter in je binnenzak past. Het wordt vaak wel een beetje raar gevonden. Men kijkt naar je en denkt: 'Is die man gestoord of zo? ' Maar iedereen gooit wel eens een pocket weg, dus ik zie niet in waarom ik dat niet paginagewijs zou kunnen doen.”

En thuis, hoe gaat het lezen daar?

“Het liefst aan een tafel, met het boek opengespreid. Dat vind ik het gemakkelijkst. En anders in een stoel. In bed lezen kan ik niet, dat kon ik alleen in Afrika waar het leven kalm en rustig was. Ik herinner me dat ik The seven pillars of wisdom van T. E. Lawrence daar in bed heb gelezen. Nu zou me dat absoluut niet meer lukken, ik ben 's avonds veel te moe.”

Het heeft dus geen zin om te vragen wat er op het nachtkastje ligt?

“Daar ligt Propria Cures, want dat kan ik nog net aan. Ik ben er een blauwe maandag redacteur geweest en ontvang het daarom nog steeds. Ik lees het diagonaal, want het is tegenwoordig niet zo goed.”

Is een boek iets om te hebben, of kun je net zo goed naar de bibliotheek?

“Ik koop meestal zelf. Wanneer je een boek leest, krijgt het een stempel van jezelf. Ook letterlijk, want ik zet soms strepen met potlood of ballpoint, vooral als het een beetje een serieus boek is.”

Zijn er klassieken die elke Nederlandse politicus zou moeten kennen?

“Ik vind dat Nederlandse politici zich in de eerste plaats zouden moeten interesseren voor wat hun collega's schrijven: Vondelings Tweede kamer: lam of leeuw, een Boersma, een Den Uyl. En daarnaast voor biografieen van politici, zoals die van Oele en Roethoff. En ik vind dat elke politicus in ons land Honderd jaren van Oud gelezen moet hebben, vooral in de aangevulde editie. Dat is een essentieel, informatief en goed geschreven boek, een must voor iedereen. Met dat boek weet je ten minste wie Kuyper en Lohmann waren en waar de Vaticaankwestie over ging.

“Een ander zeer belangrijk boek vind ik Kossmanns De lage landen. We zijn in Nederland gezegend met een aantal vooraanstaande historici: Kossmann, Wesseling, Brands, Von der Dunk. Ik ben geen historicus en kan dus niet beoordelen hoe die mensen internationaal worden gewaardeerd, maar ze lijken mij vooraanstaand en belangrijk.”

Wat is het laatste uitgelezen boek?

“De wetten van Connie Palmen. Het is het verhaal van de ontmoetingen die een studente heeft met zeven oudere intellectuelen. Ze heeft het nogal met zichzelf getroffen. Van een psychologische ontwikkeling is niet echt sprake en de stijl is van matige kwaliteit, hier en daar zelfs wat onbeholpen. Al met al een acuut geval van postmodernisme.”