Museum Boerhaave gaat weer open

Na drie jaar gesloten te zijn geweest opent maandag Museum Boerhaave opnieuw zijn poorten. Op een nieuwe, ruime en bij uitstek passende locatie: het Caeciliagasthuis waar Boerhaave in het begin van de 18e eeuw zijn befaamde medische colleges aan het ziekbed gaf.

Een portret van het volledig vernieuwde Rijksmuseum voor de Geschiedenis van de Natuurwetenschappen en van de Geneeskunde.

Onze collectie is een van de mooiste in haar soort in de wereld. Er zijn maar twee of drie andere die kunnen bogen op een vergelijkbare kwaliteit.” Directeur Gerrit Veeneman van het maandag door minister d'Ancona te heropenen Museum Boerhaave steekt zijn trots niet onder stoelen of banken. Evenals zijn 33 medewerkers beschouwt hij het als een bijzonder voorrecht om dagelijks “ met deze spullen te mogen omgaan.”

Die 'spullen' zijn in de loop van zestig jaar gegroeid rond een unieke verzameling instrumenten van de Rijksuniversiteit Leiden, met als kern het vrijwel complete Fysisch Kabinet van 's Gravesande, de collectie Christiaan Huygens en de apparatuur waarmee Heike Kamerlingh Onnes aan het begin van deze eeuw zijn baanbrekende lage-temperatuurfysica bedreef. De instrumenten lagen in de jaren twintig in kabinetten en op instituutszolders te verstoffen en dreigden voor het nageslacht verloren te gaan.

Op initiatief van twee Leidse hoogleraren, de natuurkundige C. A. Crommelin en de zooloog C. J. van der Klaauw, werd daarom in 1928 de Stichting Het Historisch Natuurwetenschappelijk Museum opgericht, die zich tot doel stelde om dit geleerde erfgoed niet alleen te conserveren, maar tevens uit te breiden tot een nationale collectie.

Op 5 juni 1931 werd deze droom werkelijkheid met de opening van het 'Nederlandsch Historisch Natuurwetenschappelijk Museum', dat een 'voorlopige' huisvesting vond in het voormalige Boerhaave Laboratorium aan de Steenstraat. Het zou er tot 1988 blijven.

De oprichting van het Museum Boerhaave werd gefinancierd met zowel overheidsgeld als steun van instanties en particulieren. Het mocht zich verheugen in een gestage instroom van nieuwe aanwinsten, zodat het inderdaad al snel het predikaat 'nationaal' waarmaakte.

In december 1944 werd het museum getroffen door een geallieerde vliegtuigbom, die weliswaar weinig schade aanrichtte maar wel sluiting en verbouwing noodzakelijk maakte. Bij de nieuwe inrichting na de oorlog was men genoodzaakt om de collectie op een veel kleiner vloeroppervlak te concentreren. Veel belangwekkende stukken moesten daardoor uitwijken naar het depot en tijdelijke exposities waren niet of alleen met de grootste moeite, door een deel van de vaste collectie te ontruimen, te realiseren.

Op 1 januari 1947 werd het Boerhaave Rijksmuseum en op 30 september van dat jaar werd het heropend. Sindsdien heeft het een wat kommervol bestaan geleid, gekenmerkt door ruimte- en personeelsgebrek en tegenvallende bezoekersaantallen (voor 1960 minder dan 3.000, in het begin van de jaren zeventig rond de 7.000 bezoekers per jaar).

Omzien naar een ruimere behuizing was geen overbodige luxe en aan het einde van de jaren zestig ontstond het plan om naar het Caeciliagasthuis te verhuizen. De hoge restauratie- en verbouwingsinvesteringen die dat met zich mee zou brengen, waren er de oorzaak van dat dit plan pas bijna een kwart eeuw later werd verwerkelijkt.

STAMBOOM

In de nieuwe behuizing komen de unieke schatten van het museum eindelijk pas goed tot hun recht. Daarnaast is het Medisch-Farmaceutisch Museum dat voorheen in de Amsterdamse Waag was gevestigd, nu ook in Boerhaave ondergebracht, in permanente bruikleen van de Gemeente Amsterdam.

Het bijzondere van de collectie-Boerhaave is, dat een zeer groot deel van de stukken kan bogen op een complete pedigree, een soort stamboom die de geschiedenis ervan documenteert en zo de authenticiteit waarborgt.

Veeneman: “ Wij onderscheiden ons wat dat betreft in gunstige zin van andere wetenschapshistorische musea, waar je dikwijls niet precies weet wat origineel is en wat niet. Bij ons zijn veruit de meeste topstukken direct te traceren tot de maker of een eminent onderzoeker die er mee werkte.”

Omdat de collectievorming van oude wetenschappelijke instrumenten pas aan het eind van de vorige eeuw een aanvang nam, is het aantal vervalsingen gelukkig beperkt. Een belangrijke drijfveer voor die collectievorming was het nationalisme. Veeneman: “ Bij de opkomst daarvan werd de behoefte aan een roemrijk verleden, ook in wetenschappelijk opzicht, groter en had men reden om de zaken mooier voor te stellen dan ze zijn. De puntgave verzameling instrumenten van de vroegere Accademia del Cimento die onder Garibaldi opeens in Florence opdook, is daardoor twijfelachtig.”

DEMONSTRATIE-INSTRUMENTEN

Het grootste deel van de 17e- en 18e-eeuwse collectie van het Museum Boerhaave bestaat niet uit onderzoeks-, maar uit demonstratie-instrumenten. De meest illustere verzameling daarvan wordt gevormd door de toestellen die 's-Gravesande en Petrus van Musschenbroek gebruikten voor proefondervindelijke toelichtingen bij hun natuurkundecolleges. Het eerste echte research-instrument, een pyrometer waarmee Musschenbroek als eerste de lineaire uitzettingscoefficient van metalen demonstreerde, dateert pas van 1759.

Bij de collectievorming houdt de staf van het Museum twee complementaire doelen in het oog: verwerving van stukken die de ontwikkelingsgang van het wetenschappelijke instrument illustreren en van apparaten en toebehoren waarmee door Nederlandse onderzoekers belangrijke ontdekkingen zijn gedaan.

Voor een bezoeker die niet primair in instrumenten is geinteresseerd maar in wat er voor belangwekkends mee is gedaan, zijn deze stomme getuigen van grensverleggend onderzoek veruit het boeiendst. Het Museum Boerhaave kan bogen op een behoorlijk aantal, van de originele microscoopjes van Van Leeuwenhoek (drie van de acht die over de hele wereld bewaard zijn) tot de helium liquefactor van Kamerlingh Onnes en de kunstnier van Kolff.

Een aparte categorie vormen de standaardapparaten waarmee belangrijke onderzoekingen zijn gedaan, met als markantste voorbeeld de elektromagneet waarmee Pieter Zeeman het naar hem genoemde effect - splitsing van spectraallijnen in een sterk magneetveld - aantoonde. Een doodnormale commerciele magneet, maar toevallig een die geschiedenis schreef.

Fetisjen

Een kleine stap verder en men belandt op het terrein van de fetisjen. Het Museum Boerhaave heeft er daarvan vele, maar stelt ze niet in de permanente expositie tentoon. Zo zal men in de vitrines vergeefs zoeken naar de vulpen waarmee Einstein volgens Paul Ehrenfest zijn algemene relativiteitstheorie aan het papier toevertrouwde, naar de ridderordes van Van 't Hoff, het maagsap uit een hond van Pavlov, de radioactieve ertsen van Madame Curie en het tafellaken van een wiskundig congres in 1954 bedrukt met complexe priemgetallen. Ze zullen hooguit eens in een tijdelijke tentoonstelling worden geexposeerd. Wel in de permanente opstelling ondergebracht zijn overigens de pijl en boog van Nobelprijswinnaar Willem Einthoven, maar die hadden dan ook een duidelijke researchfunctie.

CHRONOLOGIE

Bij de opstelling van de permanente collectie is bewust gekozen voor een chronologische, voorwerpgerichte benadering. Veeneman: “ We hebben daar lang over nagedacht en vinden dat de meest heldere en logische manier van presentatie. Wie meer wil weten over hoe alles werkt, kan zich wenden tot de museumboekjes die wij uitgeven, of een van de gespecialiseerde rondleidingen volgen die we om de zoveel tijd geven.”.

foto's: Hydrostatische balans van Jan van Musschenbroek, ook wel 'het emmertje van 's-Gravenzande' geheten.

Samengestelde microscoop met achromatisch objectief (1760) van vader en zoon Van Deijl te Amsterdam.