Clara Eggink

Onlangs is Clara Eggink overleden, bekender als vrouw van Jacques Bloem dan als dichteres. Ze was 84 jaar. Er verschenen na haar dood geen persoonlijk getinte in memoriams.

Daarvoor was ze niet beroemd genoeg en het zal ook wel een beetje het lot zijn van degenen die zo oud zijn geworden dat ze hun generatiegenoten hebben overleefd.

Ik had graag een goed stuk over haar gelezen, want het leek me een bijzondere vrouw. Die indruk baseer ik niet alleen op haar voortreffelijke biografische schets Leven met J. C. Bloem met dat prachtige begin: “Een ding staat voor mij wel als een paal boven water: wij hadden bij elkaar moeten blijven, J. C. Bloem en ik.” Het heeft ook te maken met een ervaring die ik acht jaar voor haar dood met haar had.

Ik ontmoette haar in december 1982 in het Rosa Spier Huis, het bejaardentehuis voor kunstenaars en wetenschapsmensen in Laren, waarover ik een reportage wilde schrijven. Ze woonde er pas sinds acht maanden en ze was herstellende van een lichte beroerte. Het tehuis was haar niet erg meegevallen. “De mensen zijn veel ouder dan ik verwachtte”, zei ze, “het is eigenlijk een gewoon bejaardentehuis. Ik zou hier wel weer weg willen, maar waar moet ik naartoe?”

Het Rosa Spier Huis bleek zich ver te hebben verwijderd van de idealen van de oprichtsters, Henriette Polak-Schwarz en Rosa Spier. Zij wilden niet alleen rustende, maar vooral werkende kunstenaars op leeftijd een tehuis bieden. Die bleken echter niet of nauwelijks te porren voor de gezonde dennegeur van Laren. Er had maar een handjevol belangrijke kunstenaars in het Rosa Spier Huis geleefd (o.a. Annie Romein, Jef Last en M. C. Escher) en in de periode van mijn onderzoek ontbraken vooral de schrijvers, toneelspelers en filmers.

Deze en enkele andere harde noten moesten in de reportage gekraakt worden - tot groot verdriet van de directie die inzage in het artikel voor publikatie had bedongen. De citaten van Clara Eggink waren sleutelpassages, omdat zij de enige bewoonster was die haar kritiek openlijk durfde spuien.

Daar zaten we dan op een doordeweekse decembermiddag: de directie, het bestuur en ik. Dit kon zomaar niet, zeiden directie en bestuur, dit leek helemaal nergens op, en dit mocht uiteraard niet worden afgedrukt. Citaten van mevrouw Eggink? Als het mij interesseerde: er was die morgen met mevrouw Eggink gesproken en zij had haar woorden volledig ingetrokken.

Nu was het uur van de retoriek aangebroken. Was het wel fair om deze vrouw in haar positie zo onder druk te zetten, vroeg ik. Was het wel fair om deze vrouw in haar positie zo te gebruiken, vroegen de directie en het bestuur.

We kwamen er niet uit. Toen klopte er iemand op de deur. Clara Eggink. Of ze even mocht binnenkomen. Ze gaf ons een hand, ging aan het uiteinde van de tafel zitten en zei afgemeten: “Het artikel van die meneer is geen reclame voor het huis, maar zo is het ook niet bedoeld. U moet vooral niet vergeten dat dit huis een 'rechts' image heeft, dat hoor je overal in kunstenaarskringen. Daarom willen ze hier niet graag naartoe.”

Het was een magistrale samenvatting van het veel te lange artikel. We hielden allemaal onze adem in. “Wilt u in het algemeen nog iets zeggen over het beleid?” vroeg de directrice aarzelend. Clara Eggink keek de kring rond met het half scep tische lachje dat om haar lippen gebakken was. “Ik vind dat ik mijn uitspraken toch moet handhaven”, zei ze, “want ik denk dat ze op dit moment goed begrepen zullen worden - en daar gaat het om.”

Toen zei ze: “Dat was het.” Ze stond op, groette ons vriendelijk met een hoofdknik en verliet het vertrek. Er trad een diepe stilte in - totdat de directrice zich vermande en zuchtte: “De wonderen zijn de wereld nog niet uit.” Onze strijd was gestreden - twee minuten later stond ik buiten met de ongeschonden kopij.

Zegt zo'n voorval iets over iemands karakter?

Een half jaar geleden las ik een interview met Remco Campert, wiens vader nog een tijdje met Clara Eggink getrouwd is geweest. “Zelf mocht ik Klaartje wel”, zei Campert, “een heel reele IJzeren Hein die mooie gedichten kon schrijven. Ze was niet bang en zwom altijd om de pier heen, wat diepe indruk op me maakte.”

    • Frits Abrahams