Een en ander

Kounellis lijkt me het type moderne kunstenaar dat speciaal is uitgevonden voor de moderne museumdirecteur.

Zo'n directeur ziet zich niet graag - hoe begrijpelijk! - als een softie die het stadium van de kunsthistorische scriptie dan wel ontgroeid mag zijn, maar die, als het er op aankomt indruk te maken op de jongedochters en jongeheren die nog op zo'n scriptie broeden, eigenlijk niet veel meer te doen heeft dan haakjes in de muur te slaan en scheefhangende doekjes met de pink weer recht te tikken.

Zo iemand ziet zich uiteraard liever als de directeur van een bruisend bedrijf, als briljant organisator, als de kosmopoliet voor wie geen uitdaging of horizon te ver gaat.

Kounellis is daarvoor geknipt. Hij is een doortastend handelsreiziger voor zijn eigen kunstbedrijf. Hij verkeert alleen maar in Rome, New York en andere verre wereldsteden. Hij geeft audienties in de Ritz en andere hotels van mondiale allure.

Dat vinden moderne museumdirecteuren prettig.

Hij kan ook innemend zijn. Hij kan ook bescheiden aanschuiven in het exotische eethuisje om de hoek dat nog net niet door iedereen is ontdekt. De persoonlijke relatie, het directe en ontspannen contact met de handelspartner is voor hem goud waard. Net als voor de Japanse autofabrikant en de moderne museumdirecteur.

Daar komt als godsgeschenk bij dat Kounellis niet zomaar wat penseelt. Hij is geen kladderaar voor wie je als museale entrepreneur evenzogoed in eigen land had kunnen blijven. Een kleinkunstenaar die je om zo te zeggen in de bar van het Sonesta-hotel had kunnen ontmoeten of in een pizzeria in de Halvemaansteeg. De kunstwerken van Kounellis bestaan uit duizenden kilo's wegende constructies van plaatstaal. Uit lange reeksen tot aan de rand gevulde zakken antraciet. Uit ensembles van honderden stenen kruiken. Uit gaslampen die roetpatronen maken. Uit glas. Uit spoorrails. Uit ertsklompen. Alles in veelvoud.

Werken van gewicht en formaat die vragen om een aanpak van wereldallure.

Waar Kounellis dus reist reizen de moderne museumdirecteuren hem achterna. Per vliegtuig, taxi, spoor en waterfiets.

Ademloos luisteren ze hoe de woorden uit Kounellis' kunstenaarsmond rollen en hoe hij hun kunstkennersoren vult met kunstkatoen. Hoor, hoe hij hen persoonlijk zijn drijfveren en bedoelingen opbiecht. Het staal moeten ze zien als positieve energie. Het roet moeten ze zien als boetedoening.

De ware wereldartiest is hij die met radheid van tong een kant-en-klaar wereldbeeld kan opdissen dat zich, indien gewenst, diepzinnig laat aanhoren maar toch de luisteraars het gevoel geeft dat ze niet dom zijn.

Vinden de moderne museumdirecteuren prettig.

Ze keren naar hun museum terug met in hun kielzog duizenden kilo's plaatstaal, honderden zakken steenkool, roetlampen, spoorrails en al wat er aan kunst verder nog geschikt is om van wereldstad naar wereldstad te worden gevlogen.

Ineens hebben ze hun multinational. De dynamiek straalt op hen af. Niet langer het kleinschalige gekissebis over wissellijstjes en passe-partouts: het museum is een centrum geworden van logistiek en operationele behendigheid. “We liggen ruim een dag voor op schema”, verklaarde een trotse conservatrice van het Stedelijk Museum in het verslag dat we onlangs konden lezen over de ontruiming van de Kounellis-expositie. Dat is ondernemerstaal.

Vinden onze moderne museumdirecteuren prettig.

Duizend roetlampen moesten in flanel worden gewikkeld. De kolenzakken moesten hydraulisch in houten bekistingen worden getakeld zonder dat een antracietje verloren ging, “anders raken onze bruikleengevers minder geneigd hun dure kunstwerken af te staan.” Honderden stenen kruiken moesten worden gelabeld en genummerd.

Aan de plaatstalen gevaarten durf ik niet te denken.

Vanzelfsprekend moesten alle wanden van het museum, nadat het roet er was afgekrabd, opnieuw worden geplamuurd en van een polyester-vlies voorzien. Het trappenhuis was aan een complete 'opknapbeurt' toe.

Welke moderne museumdirecteur zou na zo'n operatie niet zijn schouders ophalen over de sukkel die nog met een schilderijtje het museum in wil?

Vindt die museumdirecteur niet prettig.

Alles wat in de kunst meer dan tien kilo weegt, zou ik zeggen, hoort op een sokkel thuis die nooit meer van zijn plaats mag, maar ja, ik ben geen kunstkenner.

Er is een troost. Als we ooit met het waardevolste dat door onze nijverheid en beschaving werd voortgebracht naar een ander zonnestelsel moeten evacueren of als we in een nieuwe oorlog onze kunstschatten ijlings in veiligheid moeten brengen, dus als het menens wordt, gaat Kounellis niet mee.