MAROKKO ALS PROEFTUIN VOOR DUITS GIFGAS

Giftgas gegen Abd el Krim. Deutschland, Spanien und der Gaskrieg in Spanisch-Marokko 1922-1927

door Rudibert Kunz en Rolf-Dieter Muller

239 blz., geill., Rombach en Co 1990, f 45

ISBN 3 7930 0196 2

Op 17 juni 1925 werd het Protocol van Geneve plechtig ondertekend. Het (als eer ste) gebruiken van chemische en bacteriologische wapens was daarmee verboden. Vertegenwoordigers van Spanje, Frankrijk en Duitsland zetten ook hun handtekening.

In de zomer van hetzelfde jaar 1925 bereikte de inzet van strijdgassen tegen de opstandige Rifkabylen in Marokko een hoogtepunt. Spanje en Frankrijk waren de daders.

Deze opzienbarende samenloop wordt beschreven door de televisie-redacteur Rudibert Kunz en de aan het Militargeschichtliches Forschungsamt te Freiburg verbonden historicus Rolf-Dieter Muller in Giftgas gegen Abd el Krim. Tot voor kort ging iedereen er vanuit dat de Italiaans-Abessijnse oorlog (1934-1936) het eerste militaire conflict was dat door gas werd beslist, en de oorlog tussen Iran en Irak, waarin het gebruik van strijdgassen door Irak in de zomer van 1988 mede leidde tot een wapenstilstand, het tweede.

Kunz en Muller tonen in hun boek onomstotelijk aan dat de strijd in Marokko het eerste was en dat deze de Italianen als voorbeeld diende. De oorlog tegen de Rifkabylen, een van de weinige niet gearabiseerde Berbervolken, was bovendien de eerste oorlog waarin op grote schaal gifgasbommen vanuit de lucht werden afgeworpen. In Marokko gebeurde datgene waar iedereen na de verschrikkelijke ervaringen met strijdgassen in de Eerste Wereldoorlog zo bang voor was.

De auteurs geven ons een kijkje in de weinig frisse keuken van de chemische wapenhandel en weten aannemelijk te maken dat de Duitse leveranties aan Irak (zij spreken nog over een 'begrundete Verdacht') en de hulp bij de bouw van een strijdgasfabriek in Libie passen in een lange Duitse traditie.

PROTECTORAAT

Waarom werd er in Marokko een oorlog gevoerd, hoe verliep deze en op welke wijze was Duitsland daarbij betrokken? De noordelijke strook van het sultanaat Marokko was sinds 1912 een protectoraat van Spanje. De protector, die al enkele eeuwen een aantal enclaves op de Noordafrikaanse kust had, slaagde er evenwel niet in het gebied daadwerkelijk te beheersen. Conventionele wapens en een numeriek overwicht bleken onvoldoende om de fanatieke, islamitische Rifkabylen in het onherbergzame terrein op de knieen te krijgen.

Abd el Krim, een berber van de machtigste stam in de Rif, slaagde erin om een centraal geleide rebellie te organiseren. In 1921 behaalde hij zijn eerste en tegelijk ook zijn grootste overwinning bij Annual in het oosten van het protectoraat. De Spanjaarden leden daar de zwaarste en meest vernederende nederlaag uit hun koloniale geschiedenis. Zij waren vanaf dat moment uit op wraak en bereid de bergvolken met alle middelen neer te slaan. Er moest een einde komen aan de serie Spaanse nederlagen in Noord-Afrika van de voorgaande twee decennia.

De opstand werd bovendien met argusogen gevolgd door de koloniale mogendheden. Het optreden van Abd el Krim, die in februari 1923 de islamitische Rifrepubliek uitriep, wakkerde het net ontstane islamitisch nationalisme aan en vormde een bedreiging voor de Europese koloniale machtspositie. Het zelfbeschikkingsrecht der volkeren, zo mooi vastgelegd in de veertien punten van de Amerikaanse president Woodrow Wilson, gold duidelijk niet voor niet-blanke volken.

Spanje zocht en vond al vanaf 1920 steun bij militairen van de Duitse Reichswehr. Dezen deden er alles aan om de vernederende bepalingen van het Verdrag van Versailles te ontduiken. Duitsland was onder andere alle bemoeienis op het gebied van strijdgassen ontzegd. Chemische wapens moesten in Munsterlage-Breloh worden verzameld en vernietigd. In de praktijk werden zij echter zoveel mogelijk opgeslagen en voor een deel verkocht aan andere landen, zoals Spanje, Italie, Joegoslavie, Japan, China, Turkije, Roemenie, Zweden en Brazilie. De sleutelfiguren bij deze transacties waren professor Fritz Haber, initiator van de Duitse strijdgasproduktie en in 1918 winnaar van de Nobelprijs voor de scheikunde, en dr. Hugo Stoltzenberg, die zowel wapenleverancier als gasstrategisch adviseur van de Reichswehr was.

De Duitsers leverden niet alleen diverse strijdgassen, maar stelden ook hun technologie ter beschikking aan de Spanjaarden. Onder hun leiding werden in Maranosa, een uur rijden ten zuiden van Madrid, en in Melilla aan de Marokkaanse kust gifgasfabrieken gebouwd. Daar werd een niet-giftig tussenprodukt (Oxol), dat in weerwil van alle verboden in de chemiefabriek van Stoltzenberg te Hamburg werd geproduceerd, omgezet in het beruchte mosterdgas, ook bekend als yperiet, Lost en Gelbkreuz.

BELANGEN

Duitsland, dat sinds 1923 ook deelnam aan de bouw van een gifgasfabriek in Rusland, had verschillende belangen bij de militaire samenwerking met Spanje. Een en ander bood de gelegenheid om de kennis op peil en de chemische fabriek in Hamburg draaiende te houden. De militairen konden bovendien door eigen waarneming veel leren van de eerste aerochemische oorlog in de geschiedenis. Daarbij hadden de Duitsers economisch belangen in Marokko. De gebroeders Mannesmann hadden daar namelijk de voorgaande decennia een netwerk van mijnconcessies, handelsfirma's en landbouwondernemingen opgebouwd. In het Franse deel van Marokko waren zij na 1918 reeds hun invloed kwijtgeraakt. In het Spaanse deel hoopten zij die door een Spaanse overwinning te behouden.

Daarenboven speelde een emotionele factor in de Duitse houding mee. Een deel van de Franse troepen die het Rijnland bezetten - een voor Duitsland uiterst vernederende ervaring - was afkomstig uit Marokko. Een groot probleem vormden de kinderen die zij daar kregen, de Rheinlandbastarden, die later onder Hitler werden gesteriliseerd.

Midden 1924 gingen de Spanjaarden onder leiding van generaal Primo de Rivera, die het jaar daarvoor in Spanje de macht had overgenomen met de belofte de Marokko-crisis snel en eervol op te lossen, over tot een tactische terugtocht. Dat gebeurde overigens geheel tegen de wens van Franco, die op dat moment commandant was van het vreemdelingenlegioen. Na de ontruiming begonnen de luchtbombardementen met mosterdgasbommen op de gebieden van de opstandelingen.

Eind 1924 mengden de Fransen zich in de strijd. De opstand van de Rifkabylen, die net als de Koerden door kunstmatige grenzen werden gescheiden, had zich ook uitgebreid tot het Franse protectoraatsgebied. De held van de Eerste Wereldoorlog, Petain, nam daar in 1925 het opperbevel over.

Hoewel er te weinig aanknopingspunten zijn om de zogenoemde 'besmettingsstrategie' precies te reconstrueren, vermoeden Kunz en Muller op basis van notities van nobelprijs Stolzenberg dat zij uit twee fasen bestond. Eerst werden dorpen, landbouwgronden en waterbronnen met vooral mosterdgas besmet, zodat de opstandelingen geen bases meer hadden, en vervolgens werden de wegen, schuilplaatsen en holen besmet en uitgerookt. Er werden ook brandbommen afgeworpen.

BLAZEN EN WONDEN

De uitwerking van mosterdgas is verschrikkelijk, zoals de afschuwelijke beelden uit de eerste Golfoorlog ook hebben laten zien. De vloeistof dringt door alle kleding heen en veroorzaakt na enige uren blazen en wonden die zeer pijnlijk zijn. De dampen zorgen voor tijdelijke of blijvende blindheid en tasten de ademhalingsorganen aan. De Rifkabylen konden zich niet beschermen en wisten niet hoe ze de besmetting moesten tegengaan en de wonden moesten behandelen. Velen zijn daardoor gestorven.

Met behulp van gas en vliegtuigen gelukte het uiteindelijk een troepenmacht van een half miljoen Fransen en Spanjaarden de opstandelingen te verslaan. In mei 1926 gaf Abd el Krim zich over en in 1927 was de oorlog definitief voorbij.

Dat er in Marokko strijdgassen zijn gebruikt, wisten we al. Hoewel we in de officiele geschiedschrijving over de oorlog, Historia de las Campanas de Marruecos, geen enkele aanwijzing over gasgebruik aantreffen, maakt onder anderen David S. Woolman daarvan in Rebels in the Rif (1968) melding. Wat we echter nog niet wisten is dat de inzet van gas zo omvangrijk is geweest en beslissend voor de uitslag van de strijd. Hoe valt dat te verklaren? De gebruikers hielden uiteraard zoveel mogelijk hun mond. Zij leidden daarnaast de aandacht af, camoufleerden de inzet en ontkenden botweg. Afspraken over chemische samenwerking werden bovendien meestal mondeling gemaakt. Journalisten werden zoveel mogelijk van het oorlogstoneel geweerd. De slachtoffers werden niet gehoord. Een noodkreet tot het Internationale Comite van het Rode Kruis kreeg geen vervolg omdat de Spaanse regering geen missie van deze organisatie tot Spaans Marokko toeliet.

Een andere verklaring voor de onbekendheid met de ware toedracht van de oorlog in Marokko is natuurlijk dat de desbetreffende belangrijke archieven voor historici potdicht bleven. Kunz en Muller baseren zich voornamelijk op Duitse archieven. Officiele Spaanse bronnen bleven voor hen gesloten, terwijl Marokko helemaal geen medewerking verleende. In de Franse archieven hebben de auteurs niet of nauwelijks gespeurd, een merkwaardige omissie.

NOTITIES

Wel konden de auteurs beschikken over de notities van dr. Stoltzenberg, die al zijn handelingen opschreef en becommentarieerde. Door de schaarse gegevens en de die aantekeningen op kundige wijze te vergelijken met de beter gedocumenteerde beschrijvingen van de Italiaans-Abessijnse oorlog, waarin de omstandigheden vergelijkbaar waren met die in de Rifoorlog, konden vele tot heden onopgehelderde zaken worden begrepen. Desalniettemin wordt de tot tweemaal toe gemaakte opmerking dat de gasinzet in de Rif een voorbeeld voor de Italiaanse veldtocht in Abessinie was, door Kunz en Muller niet nader onderbouwd.

Giftgas gegen Abdel Krim drukt ons nog eens, ook door middel van vele indringende foto's, op de verschrikkelijke feiten van de chemische oorlogvoering. Het boek leert ons bovendien dat een gezonde scepsis ten opzichte van de naleving van internationale afspraken, vooral met betrekking tot niet-conventionele strijdmiddelen, zeer gewenst is. Al jaren wordt er over de afschaffing van chemische wapens onderhandeld, maar 'man ist nicht weiter als 1925', zoals Kunz en Muller somber opmerken.

    • Jan Hoffenaar