HET LOT VAN MIDDELEEUWSE MEISJES

Tussen verering en verachting. De rol van de vrouw in de middeleeuwse samenleving (500-1500)

door Peter Bot

286 blz., geill., Kok Agora 1990, f 49, 50

ISBN 90 242 7687 X

De middeleeuwen zijn tegenwoordig een welkome bron van lichtende dan wel af schrikwekkende voorbeelden, misschien wel in het bijzonder waar het de positie van vrouwen betreft. De discussies daaromtrent zijn nog lang niet uitgewoed. Moest de onafhankelijke kasteelvrouw, abdis of gildemeesteres het rond 1500 afleggen tegen het oprukkende paternalistische kapitalisme? Of zuchtten onze middeleeuwse voorgangsters juist onder het juk van kuisheidsgordel en clericale minachting - waarvan zij pas tegen het einde van de middeleeuwen werden bevrijd?

Wie zich wil ontdoen van vooringenomenheden omtrent de maatschappelijke positie van middeleeuwse vrouwen, doet er goed aan om de onlangs verschenen studie Tussen verering en verachting van Peter Bot te lezen. Het is alsof je het klaslokaal van een goed geinformeerde, boeiend vertellende leraar binnenloopt. Bot heeft zich voorgenomen zijn lezers duidelijk te maken dat de dingen ingewikkelder zijn dan ze lijken, maar boet daarbij niet in aan helderheid. We hebben tijdens de middeleeuwen te maken, zo begint hij zijn boek, met een heel divers complex van samenlevingen, dat toch gemeenschappelijke kenmerken had. Kerk en godsdienst hadden er een grote plaats, het merendeel van de bevolking leefde van de landbouw, het overheidsbestuur was gebrekkig, en de positie van de adel daarom zeer sterk.

Van enige werkelijke lotsverbondenheid tussen vrouwen in deze samenlevingen was geen sprake: de kloof die gaapte tussen machthebbers en onderdrukten doorsneed ook de tweede sekse. Vrouwen van adel waren al evenzeer als mannen erop gespitst om hun voorrechten te verdedigen, ten koste van andere vrouwen. De vraag die het hele boek beheerst, gaat echter wel degelijk om die andere kloof, die tussen mannen en vrouwen. Zoals Bot het formuleert: “ Was de middeleeuwse maatschappij werkelijk zo paternalistisch en masculien, dat vrouwen slechts door zich eruit los te maken een eigen leven konden leiden?”

Zijn antwoord lijkt bevestigend, al wordt het aarzelend en genuanceerd gegeven. Misschien speelde de strijd tussen de seksen nog wel de geringste rol bij de meerderheid van de bevolking, de boeren. De huishoudens vormden een economische eenheid, waarin allen samen vochten om te kunnen overleven. Zodra die strijd om het bestaan echter minder prominent was, en ook vrouwen enige speelruimte leken te krijgen, stootten zij op strikte grenzen. Alleen de sterksten onder hen slaagde erin die te verleggen.

HUWELIJK

De praktijk van de middeleeuwse huwelijkssluiting laat duidelijk zien dat meer maatschappelijk aanzien voor vrouwen allerminst meer vrijheid hoefde te betekenen. Vanaf de vroege middeleeuwen was het huwelijk een aangelegenheid tussen families, niet tussen individuele partners. Vergeleken met het Romeinse recht was de keuzevrijheid van de vrouw erop achteruit gegaan. Het verbreken van een verloving was niet langer een afkoopbaar vergrijp, maar een zware contractbreuk, die de eer van de hele familie aantastte.

Hoewel de kerk hamerde op de onontbindbaarheid van het huwelijk, zou het tot de twaalfde eeuw duren voordat de kerkelijke bemoeienis werkelijk van betekenis werd. De geestelijkheid beperkte zich voordien tot het bestrijden van incest: tot en met de zevende graad werd deze verboden, hetgeen concreet betekende dat men een verwantenkring van grofweg tienduizend personen had. Achteraf ontdekte 'incest' werd dus een gemakkelijk voorwendsel om een bij nader inzien ongewenste vrouw te verstoten.

De kerkrechtelijke visie op het huwelijk, die vanaf de twaalfde eeuw gestalte krijgt, bood zeker meer mogelijkheden voor de huwelijkspartners om zich te onttrekken aan de wensen van hun familie. Naast de copula, de feitelijke gemeenschap, was het vooral de consensus tussen de echtelieden die het wettige huwelijk tot stand bracht. En omdat het huwelijk onder de kerkelijke jurisdictie viel, kon de kerk dus een bondgenoot worden voor jongelieden met eigen ideeen. Maar wat kwam daarvan terecht, als de ouders machtig waren, en dynastieke of economische drijfveren de huwelijken dicteerden? Vooral in de hoge adel bleven meisjes - evenals jongens, trouwens - de speelbal van hun familie.

Wat te denken van Ida van Boulogne, die als twaalfjarige voor de tweede keer weduwe werd, terwijl ze al een huwelijk met een zestigjarige man achter de rug had? En die vervolgens wederom tegen haar zin een huwelijk ingedreven werd?

Zulke kinderhuwelijken waren niet ongebruikelijk: vanaf zeven jaar was een huwelijk geldig, al moesten de kinderen het in hun veertiende levensjaar bevestigen. Wie rijk was, weduwe, en niet wilde hertrouwen, kon maar beter het klooster ingaan. Anders kon het haar vergaan als de zestigjarige weduwe uit Hulst, die in 1448 's nachts naakt uit haar bed gesleurd werd; in lakens gehuld werd ze per schip naar Kruiningen gebracht, en ze zag geen andere oplossing dan te berusten in een huwelijk met haar ontvoerder. 'Consensus' is in zulke omstandigheden betrekkelijk.

MISHANDELING

Toch waren er vrouwen die hun eigen zin met succes doorzetten. In de beroemde correspondentie van de vijftiende-eeuwse Engelse familie Paston - landadel - wordt gewag gemaakt van Margery, die het twee jaar lang uithield onder de mishandeling van haar verwanten, totdat een kerkelijke rechtbank haar geheime huwelijk met een rentmeester voor geldig verklaarde. Koppigheid zat kennelijk in de familie: haar zuster Elisabeth (tien jaar oud) weigerde te trouwen met een vijftigjarige weduwnaar, en hield eveneens voet bij stuk.

De meeste kans op in enige mate vrije keuze hadden meisjes die niet al te veel status of bezit hadden. Lange tijd waren huwelijken tussen onvrije boeren geregeerd door de heren, maar vanaf de dertiende eeuw werd de juridische vrijheid bij de lagere standen groter, niet alleen in de stad, maar ook op het platteland. Vanaf 1300 was er een hausse in 'clandestiene', dat wil zeggen niet kerkelijk ingezegende huwelijken. Achteraf trachtte men dan met een beroep op de kerkelijke consensus-leer die verbintenis gelegaliseerd te krijgen. Het lijkt alsof de jeugd steeds meer de brui gaf aan de ouderlijke bemoeizucht. Maar er waren ook nadelen aan die grotere vrijheid, zeker voor meisjes die met het kind en de schulden bleven zitten nadat hun echtgenoot de benen had genomen. Zij moesten dan met behulp van getuigen bewijzen dat er sprake was geweest van een trouwbelofte - geen eenvoudige opgaaf. Blijkens de rechtbankverslagen was de populariteit van het clandestiene huwelijk vanaf ongeveer 1450 ernstig tanende, waarschijnlijk omdat de leer aantrekkelijker was dan de praktijk.

Wat was de houding van die almachtige middeleeuwse kerk tegenover vrouwen? Sloeg de balans door naar de verering, of naar de verachting? 'De kerk' was geen eenheid, en het zou anachronistisch zijn om de middeleeuwse geestelijkheid en bloc te betichten van anti-feminisme. Niemand was feministisch, ook vrouwen niet. Maar de lichtpunten onthullen in dit geval wel veel duisternis. Er was de loodzware erfenis van de kerkvaders en het monnikendom. Dit laatste kende een moreel dualisme waarin alles wat met lichamelijkheid van doen had naar het rijk van de duivel werd verwezen. Vrouwen werden gezien als de belichaming van de begeerte, en bovendien als een zwakke, gemankeerde uitvoering van de man. Weerstand tegen het priesterschap van de vrouw valt op dit soort denkbeelden terug te voeren. Iedere cultisch-liturgische handeling was haar ontzegd, al was het alleen al omdat haar menstruatie haar onrein maakte. Het altaar en het priesterkoor bleef daarom verboden terrein voor vrouwen.

HOOFSE LIEFDE

Heeft de Maria-devotie, die in de twaalfde eeuw aan een grote bloei begon, het theologische beeld van de vrouw iets zonniger gemaakt? Was er een relatie tussen die Mariaverering en de hoofse liefde? Hadden deze 'vrouwvriendelijke' stromingen niet enige invloed? Dat is de vraag. De hoofse liefde en haar literatuur bleef een zaak van de elite, wat men van de Mariaverering allerminst kan zeggen. Maar in de officiele leer of de devote literatuur van deze periode is niets te vinden dat erop wijst dat men vrouwen meer respecteerde omdat Maria een vrouw was. De enorme afstand tussen de verheven Moeder Gods en aardse vrouwen leek het feilen van de laatsten eerder te accentueren. In de laatmiddeleeuwse iconografie was het nog steeds een vrouw, die het zinnebeeld was van wereldse verderfelijkheid: Frau Welt.

Toch kan men natuurlijk niet die duizend jaar middeleeuwen over een kam scheren. De periode tussen 1050 en 1300 was er een van economische bloei en bevolkingsgroei, van sterke sociale mobiliteit en religieuze creativiteit. Hierin hadden ook vrouwen een groot aandeel. Het is de tijd van religieuze auteurs zoals Hildegard van Bingen, Gertrudis van Helfta en Heloise; van machtige abdissen en van onafhankelijke kasteelvrouwen, op wier schouders het bestuur vanzelfsprekend neerkwam als hun mannen op veldtocht gingen. Het was ook de tijd waarin de steden groeiden, waarin gildemeesteressen even machtig konden zijn als gildemeesters.

Het is alsof die terreinwinst in de latere middeleeuwen teloor ging. Vrouwen werden steeds meer teruggedrongen uit verantwoordelijke posities. Bot wijt dit aan de toenemende vraag naar geletterden in het openbare leven, en ik denk dat deze verklaring plausibel is. Tot ongeveer 1200 werd de wetenschap bedreven achter de kloostermuren - ook in de vrouwenkloosters. Dan gaan de universiteiten een steeds belangrijker rol spelen. Wie naar de universiteit ging was clericus, geestelijke, en dus per definitie man. Door de vraag naar geletterde, geschoolde mannen werden vrouwen uit de markt geprijsd. De kasteelvrouw moest haar informele macht van weleer afstaan aan een geschoolde ambtenaar, en ook kooplieden kregen behoefte aan geletterd personeel. In andere sectoren tekende zich hetzelfde af. In 1322 spande de deken van de universiteit van Parijs een proces aan tegen een zekere Jacoba Felicie, omdat zij onbevoegd de geneeskunde uitoefende. Ze verloor dit proces, en ze was niet de enige vrouw wier op ervaring gebaseerde medische kennis moest wijken voor die van universitair gevormde artsen.

Vrouwen bleven buiten het hoger onderwijs, terwijl dit in de publieke sfeer steeds belangrijker werd. Zo raakten zij geleidelijk aan uitgeschakeld. Het bekende beeld van de eerzame huisvrouw kreeg gestalte: we vinden het in talloze didactische tractaten vanaf de veertiende eeuw terug. Mannen regeren en leiden, vrouwen zijn volgzaam, kuis en lieftallig. Hun werk lag binnenshuis, en vaders en echtgenoten schreven hun hier de wet voor - letterlijk en figuurlijk. Zo hield de Chevalier de la Tour-Landry zijn dochters voor dat zij des te kuiser en trouwer moesten zijn naarmate hun echtgenoten meer de beest uithingen; en de veertiende-eeuwse 'Menagier' (huisman) van Parijs leek zijn jonge vrouwtje haast af te richten als een hond: “ ... zelfs als zijn baas hem slaat en met stenen gooit, loopt de hond kwispelstaartend achter hem aan, en gaat voor zijn baas op de grond liggen... Daarom moeten vrouwen om betere en sterkere redenen... een volmaakte liefde voor haar echtgenoten hebben.”

Of vrouwen in de middeleeuwen altijd en overal onderdrukt werden, kan men met recht betwijfelen. Maar wellicht hadden de edelvrouwen onder hen in vroeger middeleeuwen een relatief grote informele macht. En de forse terreinwinst die vrouwen boekten in de twaalfde en dertiende eeuw - op het gebied van cultuur en bestuur - lijkt van korte duur te zijn geweest. Het werd dus niet zozeer beter als wel slechter.