Ik was op de vlucht voor dameskousen; Gesprek met Eric Newby, schrijver van reisboeken

Woensdag begint de zesenvijftigste Boekenweek. Het thema is dit jaar reizen. Tracy Metz sprak in Londen met Eric Newby, die als schrijver van reisboeken munt heeft geslagen uit zijn tekortkomingen: “Je zult in mijn boeken lang moeten zoeken naar gevallen waarin ik iets goed doe.” Waarom gaat iemand altijd maar weer op reis, waarom zoekt hij steeds weer ontberingen en gevaren?”De gruwelen van de Ganges zijn eindeloos te prefereren boven het inkopen van vierhonderd bruidsjurken elke donderdagmiddag.”

De boeken van Eric Newby verschijnen in het Engels in paperback bij Penguin; in het Nederlands zijn bij uitgeverij Hollandia verschenen: Op stap in de Hindoe Kush, Langzaam de Ganges af, Rond Ierland in lage versnelling en De Grote treinreis, alle tijdelijk fl. 24, 90.

De stofomslag van Eric Newbys autobiografie A Traveller's Life toont hem in een volstrekt onkarakteristieke pose: geweer over de knie, een glas whisky in de hand en een dode beer aan de voeten. Naast hem zit de bevriende Indiase prins, bijgenaamd 'Owly', die hem zojuist met een welgemikt schot uit de klauwen van het woedende beest heeft gered.

Na afloop, terwijl beide heren in grote koperen teilen het stof van de enerverende jachtpartij van zich afspoelen, vraagt Newby aan de prins of hij hem ergens een plezier mee kan doen. “Well, actually, “ zegt Owly, “wat ik het liefst zou willen hebben is het speciale kerstnummer van Dog World. Dat kan ik hier niet krijgen.”

Typisch Newby, typisch Engels ook, zo'n verhaal en dan vooral met zo'n slot. Sinds het verschijnen van zijn eerste boek in 1956 heeft hij als schrijver en als reisredacteur voor de zondagskrant The Observer een heel eigen toonzetting ontwikkeld, een mengeling van spannende avonturen en hemeltergende tegenslagen die met veel humor en relativerende zelfspot worden beschreven. Minder dan bijvoorbeeld voor zijn (veel jongere) collega-schrijver Bruce Chatwin is het reizen een intellectuele of literaire queeste geweest; op weg geholpen door toeval en aanleg is Newby - nu 71 - beroepsreiziger geworden, vaardig en onderhoudend, een meester van de anekdote. “Maar het schrijven wordt moeilijker naarmate je ouder wordt, “ zegt hij nu.

We zitten bij elkaar aan tafel in de lunchroom van het Londense warenhuis Fortnum en Mason's, op een entresol met uitzicht over talloze soorten mosterd, thee, jam en chutney's. Newbys liefde voor dergelijke paleizen van materieel comfort gaat ver terug: in A Traveller's Life besteedt hij een verrukkelijk hoofdstuk aan dat andere beroemde warenhuis, Harrods. Zijn moeder, die als mannequin bij Harrods had gewerkt en het als niets minder dan het paradijs op aarde beschouwde, ging er regelmatig met de kleine Eric winkelen, lunchen en rusten in de 'Ladies' Retiring Room'. Hij herinnert zich zijn reizen door de oerwouden van bedrukte stoffen, de woestijnen van de meubelafdeling, de bergen van de 'Food Hall' en de arctische vlaktes van het linnengoed.

Het was dan ook bij Harrods dat hij zich vervoegde, een beetje beverig op zijn eerste ochtend van vrijheid na jaren krijgsgevangenschap, om zijn anti-gifgaspak te vervangen door een echte ribfluwelen broek. Textielbonnen had hij niet, maar dat vond de bejaarde verkoper geen probleem. “We can't have one of our old customers without a change of trousers, can we?”

Victoriaans

Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog had de jonge Eric, op zoek naar een beroep, aangemonsterd op de Moshulu, een Fins zeilschip dat deelnam aan een wedstrijd rond Kaap Hoorn naar Australie. Pas vele jaren later, in 1956, zou zijn verslag verschijnen als The Last Grain Race, zijn eerste boek. “Mijn vader had liever gezien dat ik naar de universiteit was gegaan, “ zegt Newby, “ik zelf ook. Maar ik was hopeloos in rekenen. Het varen vond hij tenminste een 'mannelijke' carriere: een heel Victoriaanse opvatting.”

Het ontbrak het gezin aan niets, toch noemt Newby zijn plaats in de Engelse sociale hierarchie middle-middle class. Zoals bij veel Engelsen hebben de maatschappelijke rangen en standen een buitengewoon grote rol in zijn leven gespeeld. “Als kind al dacht ik: wat moet het toch heerlijk zijn om op de oprijlaan van een kast van een huis in Belgrave je geweer in z'n foedraal te leggen in de Bentley-cabriolet voor een weekendje jagen op je landgoed. Ik was gefascineerd door de levensstijl van de rijken.”

De suggestie dat hij misschien is gaan reizen om aan die rangen en standen te ontsnappen, wuift hij met een zekere zelfkennis weg: “Nee, ik wilde nergens aan ontsnappen, het was pure envy, my dear, pure afgunst.” Met smaak maar ook verwondering vertelt hij over zijn hoofdredacteur bij The Observer, David Astor, die besloot in het weekend met zijn kinderen naar de dierentuin te gaan. “Zijn secretaresse vroeg hij kaartjes voor de ondergrondse te reserveren. Hij had nog nooit openbaar vervoer gebruikt!”

De oorlog vaagde de standsverschillen niet weg, integendeel. “Er waren niet veel leden van de upper classes op de militaire academie Sandhurst of in mijn vrijwilligersregiment, de Special Boat Section. Maar in krijgsgevangenschap kon ik ze er zo uithalen, zelfs als ze in een rafelig hemd en versleten gympies liepen. Iemand die in Eton is opgeleid, herken je direct aan de geluiden die hij maakt.”

Voor Newby bleek de oorlog een soort universiteit. In plaats van rugby op een sportveld te spelen maakte hij lange tochten langs de Middellandse Zee om strategische delen van de kust in kaart te brengen. Nadat hij gearresteerd werd bij een poging een vliegveld op Sicilie op te blazen bleken er in de Italiaanse krijgsgevangenkampen allerlei 'O. K. people' te zitten, zoals hij ze noemt. “Daar kwam ik in contact met briljante geesten, mensen die ik anders nooit zou hebben ontmoet. Ze hielden lezingen over allerlei onderwerpen als filosofie en theologie en bijna elke week werd een ander toneelstuk opgevoerd. Het was een soort Renaissance-bestaan, waarbij we onze tijd verdeelden over intellectuele bezigheden en het graven van tunnels.”

De oorlog leverde ook twee andere belangrijke dingen op: de ontmoeting met Wanda, dochter van een Italiaanse partizaan en later Newbys echtgenote, en stof voor Love and War in the Apennines, een spannend relaas over de tijd die hij als voortvluchtige militair in dit ruige gebergte doorbrengt. Het was aan dit moedige meisje, haar familie en enkele streekgenoten te danken dat Newby de oorlog overleefde. Wanda, nu ook bijna zeventig, heeft onlangs op Erics instigatie haar eigen verhaal over haar jeugd en de oorlog verteld in Peace and War: Growing up in Fascist Italy.

Bijna al zijn reizen heeft Newby samen met zijn vrouw gemaakt. Zijn boeken draagt hij ook aan haar op, 'het enige deel van mijn reisuitrusting dat in dertig jaar tijd nog niet versleten is geraakt'. “Ik ben niet zo'n held in het alleen reizen, “ bekent hij. “Vooral de avonden zijn dan zo vervelend.” In 1969 gingen ze met de Orient Express naar Istanboel, samen, “omdat het ondenkbaar is dat iemand zoveel geld zou uitgeven om in een eersteklas wagon-lit alleen te reizen”. En nog maar een paar jaar geleden fietsten ze met z'n tweeen rondom Ierland, een reis die in het boek Round Ireland in Low Gear resulteerde.

Ontslagen

Wanda was niet mee op een van Newbys bekendste reizen, een wandeling in 1956 met een vriend in Centraal-Azie waarover hij het hilarische boek A Short Walk in the Hindu Kush schreef. Bij een dampende steak and kidney pie vertelt hij over dit keerpunt in zijn leven. “Ik had sinds de oorlog gewerkt in de kledingindustrie, eerst als handelsreiziger voor het familiebedrijf en daarna bij een bekend modehuis. Maar diep in mijn hart wilde ik reizen. Toen ik voelde aankomen dat ik zou worden ontslagen, heb ik die vriend in Rio de Janeiro per telegram gevraagd of hij meeging naar Noord-Afghanistan. Of course, was het antwoord. En weg was ik, eerst naar een stoomcursus bergbeklimmen in Wales en daarna naar Azie.”

De Amerikaanse uitgever wilde bij A Short Walk een voorwoord van een beroemdheid. Tot Newbys verbazing bleek Evelyn Waugh daartoe bereid te zijn, hij nodigde de jonge schrijver zelfs bij hem thuis uit. “Ik heb geen moment overwogen op die uitnodiging in te gaan, “ zegt Newby gedecideerd. “Ik wilde hem vooral uit de weg gaan. Hij zou onmiddellijk hebben gezien dat ik niet van upper class-komaf ben.”

Een uitnodiging van de beroemde reiziger en Arabist Wilfred Thesiger om mee te gaan, eerst weer naar de Hindu Kush en daarna naar Abyssinie, sloeg hij met dezelfde schroomvalligheid af. “Thesiger is een grote held van mij, maar hij is ook zeer kritisch. Ik heb er geen spijt van dat ik niet met hem ben meegegaan, ik weet zeker dat ik in zijn ogen tekort had geschoten. Net als Evelyn Waugh was hij gevaarlijk terrein.”

Uit zijn zogenaamde tekortkomingen heeft Newby als schrijver juist munt geslagen. In volle ernst zegt hij: “Je zult in mijn boeken lang moeten zoeken naar gevallen waarin ik iets goed doe. Als matroos heb ik het schip bijna doen kapseizen en in de kledingindustrie was ik ook niet echt een succes. Niemand kan mij ervan beschuldigen dat ik een erg bedreven bergbeklimmer was. Als soldaat ben ik in handen van de vijand gevallen zonder dat het vliegveld werd opgeblazen. Ik kan er ook niets aan doen, dat de Britse overheid zich geroepen voelde mij het Victoria Cross toe te kennen.”

Met zijn eerste twee boeken had Newby weliswaar succes, maar een gezin ervan onderhouden kon hij niet. Dus ging hij weer in de handel, nu bij het warenhuis John Lewis Partnership. “Het idee was dat ik er compagnon zou worden, maar toen de directie vond dat ik na het inkopen van bruidsjurken, ook ervaring moest opdoen in het verkopen van dameskousen, leek het me een beter idee om met Wanda drie maanden lang in een roeiboot de Ganges af te gaan.” Ook dat leverde - uiteraard - een boek op, Slowly down the Ganges.

Heeft het niet iets gratuits, dat opzoeken van ontbering en tegenslag terwille van een grappig boek of een stuk voor de krant?”Mm, misschien wel, “ zegt hij peinzend. Maar zijn gezicht klaart snel weer op en hij zegt: “Dan nog zijn de gruwelen van de Ganges eindeloos te prefereren boven het inkopen van vierhonderd bruidsjurken elke donderdagmiddag.”

Voyeur

Alles veranderde opnieuw in 1965, toen Newby de fel begeerde baan van reisredacteur kreeg aangeboden bij The Observer. “Ik kan zonder overdrijving zeggen dat die jaren tot de leukste van mijn leven behoren, “ zegt hij. “En in tegenstelling tot in de mode-business heb ik daar nooit te horen gekregen dat ik het niet goed deed.”

Onderwijl merkte hij dat het reizen ingrijpend aan het veranderen was. “Groepsreizen werden steeds populairder en ik moest steeds nauwer samenwerken met de advertentie-afdeling. Op een gegeven moment dreigde de service-brochure die de krant over mijn reisdoel aanbood, belangrijker te worden dan het artikel.” In 1973 houdt hij ermee op. De bulldozers hadden zelfs in zijn geliefde Apennijnen de stilte verstoord. “Ik voelde me een voyeur. Ik had het gevoel dat het niet lang meer zou duren voordat er geen enkele plaats op aarde zou zijn waar gewone mensen zich alleen onder de hemel konden voelen zonder het geluid van machines te horen. Doordat ik jarenlang over eenzame oorden heb geschreven was ik ook nog medeplichtig.”

In een mooi verhaal over Istanboel heeft Newby ooit geschreven, dat hij honderd jaar te laat geboren is. “1900 was ook goed geweest, “ zegt hij nu. “Ik ben zelf van 1919, maar tegen de tijd dat ik ging reizen was het beste al voorbij. Maar ja, voor de oorlog ging er toch haast niemand op reis, en met mijn middle-middle class achtergrond zou ik er waarschijnlijk niet het geld of de mogelijkheid voor hebben gehad.”

Vrouwen

Newby heeft zonder meer bijgedragen aan het vestigen van het reisverhaal als zelfstandig genre, zeker in de jaren vijftig en zestig toen er nauwelijks concurrentie was. “Ik vind dat ik een plaats verdien in een bloemlezing van reisverhalen. Die heb ik mezelf ook toegeeigend toen ik in 1985 A Book of Travellers' Tales samenstelde.” Een heidens karwei, zegt hij, en als je eindelijk klaar bent krijg je alleen maar commentaar op wat er allemaal niet inzit. “Arctica en Antarctica heb ik buiten beschouwing gelaten, net als de zee. En vrouwen, er zitten nooit genoeg vrouwen in.”

Hij zit dit jaar in de jury van de Thomas Cook Travel Award. “Ongelooflijk, de stroom reisboeken die op je afkomt. Maar eerlijk gezegd zit er niet veel tussen wat de moeite waard is. Het is nu ook haast onmogelijk nieuwe plaatsen te vinden om naar toe te gaan.” Het werk van de Amerikaanse reisschrijver Paul Theroux leest hij wel graag. “Een boek zoals hij over zijn treinreis door Azie schreef had ik ook graag willen doen. In plaats daarvan heb ik The Big Red Train Ride geschreven, over een reis met de Trans-Siberie Express door de Sovjet-Unie.”

Dan komt het hoge woord eruit. “Eigenlijk ben ik helemaal niet meer in reisliteratuur geinteresseerd. Ik heb daarin weliswaar mijn element gevonden, maar ik geloof nu dat het voor mij als schrijver beter was geweest om ook andere genres te proberen. Als krijgsgevangene heb ik poezie geschreven, maar die heb ik daarna nooit aan iemand laten zien. Ik heb ook een flink deel van een historische roman geschreven, maar die kan ik pas afmaken als iemand me aanmoedigt. Vaak speel ik met de gedachte thrillers te schrijven, dat kan ik vast goed. Spannende verhalen met een historische inslag, mensen die in bezet Frankrijk door bloedhonden achterna worden gezeten. Ja, dat moet ik nog eens doen.”

Al geruime tijd zijn we de enige klanten in de achterkamer van de Fortnum en Mason's-lunchroom. We vouwen netjes onze servetten op en banen ons een weg naar buiten langs de jams en chutneys. Hij wil hiernaast bij de bekende boekwinkel Hatchard's even kijken of ze Wanda's boek hebben. Het ligt inderdaad prominent tussen de nieuwe aanwinsten bij de voordeur.

Ineens is Newby weer vormelijk. Hij zet zijn blauwe wollen hoed op, een hoed die ik ken van nagenoeg alle foto's van hem die ik ooit heb gezien, en hangt zijn paraplu over zijn arm. Met een hoffelijke knik, en iets wat op een buiging lijkt, is hij weg, een middle-middle class Engelsman op leeftijd, opgeslokt in de drukte van Piccadilly.