De man die bomen plantte

Volgens de schrijver Jean Giono leefde in begin van deze eeuw in de Zuidfranse Alpen een herder die eigenhandig een bos aanlegde van vele tienduizenden bomen. Eiken, beuken, berken en esdoorns. “Niemand merkte iets, anders zou hij tegengewerkt zijn.”

Jean Giono, De man die bomen plantte. Uitgeverij Jan van Arkel. ISBN 90 6224 140 9 Prijs: 17, 90

Vorige zomer kampeerde ik in een verlaten dorpje in de Franse Alpen, niet ver van Briancon.on. We waren daar te gast bij Felicia Otter, ekrainige 67-jarige alleenstaande vrouw uit Nederland. Zij had in 1962 in dit bergdorpje, waaruit in 1957 de laatste bewoners waren weggetrokken, een paar vervallen chalets uit de twaalfde en dertiende eeuw opgekocht. Sindsdien is zij die aan het opknappen. Drie zijn er klaar en worden verhuurd als appartement. Her en der op het terrein mag je je tent opslaan. Caravans en kampeerwagens laat ze niet toe, bungalowtenten vindt ze lelijk. Elke week moet je je tent verplaatsen om het plantendek te sparen en padvorming tegen te gaan. Met de inkomsten uit appartementenverhuur en kampeergelegenheid probeert Felicia het gehucht plus directe omgeving in zijn oude glorie te herstellen.

Behalve de wederopbouw van chalets hoort daar ook de aanplant van nieuwe bomen bij. Dat is een hele klus, want door verkeerd gebruik is de bodem kaal, arm en dun geworden. Veel aangeplante bomen halen het niet of groeien zeer langzaam. Zo probeert Felicia al bijna dertig jaar op kleine schaal de ecologische degradatie in dit deel van de Alpen een halt toe te roepen. De bewoners van de streek hebben volgens haar niet in de gaten wat er gebeurt. Het gebied wordt steeds droger doordat er veel bos verdwenen is en jonge aanplant of opschot wordt opgevreten door vee. De jongeren interesseert dat weinig. Ze trekken weg of verdienen hun brood in de moderne toeristenindustrie.

Iedereen is volgens Felicia met zijn eigen welvaart bezig en ondertussen gaat het gebied naar de knoppen. “Misschien”, verzuchtte zij eens, “moet het milieu eerst nog veel verder achteruit gaan en herstelt het zich pas als alle mensen weg zijn.”

Toen ik het boekje De man die bomen plantte van de Franse schrijver- dichter Jean Giono las, moest ik aan Felicia Otter denken. Als Giono in 1913 door de kale Zuidfranse Alpen loopt, ontmoet hij op zoek naar water de herder Elzeard Bouffier. De bronnen in de verlaten dorpjes zijn opgedroogd, de eikenbossen gesneuveld onder bijlen van houtskoolbranders. In dorpjes waar nog wel mensen wonen is het leven slecht. “De gezinnen, dicht opeen gepakt in dit klimaat dat zowel 's zomers als 's winters van een uiterste grimmigheid is, drijven er in hun afzondering hun egoisme tot het uiterste. (... ) De vrouwen broeden er hun verbittering uit. Er heerst wedijver over alles, zowel over de verkoop van houtskool als over de kerkebank. (... ) Er zijn zelfmoordepidemieen en talloze gevallen van waanzin.”

Eikels

Elzeard heeft zich in deze desolate omgeving teruggetrokken na de dood van zijn enige zoon en zijn vrouw. “Hij had vastgesteld dat dit land ten onder ging door gebrek aan bomen.” Daar besloot hij wat aan te doen “omdat hij niets belangrijkers te doen had”. Elke dag plant hij honderd zorgvuldig geselecteerde eikels. In drie jaar plant hij er in z'n eentje in totaal zo'n honderdduizend. Twintigduizend komen er op, maar daarvan legt de helft het loodje door vraat van beesten of door de grilligheid van het klimaat. Giono verblijft een paar dagen bij de weinig spraakzame herder en zal hem nog vaak opzoeken.

Als hij in 1918 terugkomt, is Elzeard van schapen overgeschakeld op bijen, omdat schapen zijn bomenaanplant bedreigen. Hij gaat onverstoorbaar door met het aanplanten van bomen, behalve eiken nu ook beuken, berken en esdoorns. Jagers die op zoek naar hazen of everzwijnen opklimmen naar de hoogten zien de uitzaaiingen van jonge boompjes wel, maar schrijven die toe aan de grillen van de natuur. “Daarom tastte niemand het werk van die man aan. Als ze hem ervan verdacht hadden, zou hij tegengewerkt zijn.”

In 1933 krijgt Elzeard bezoek van een stomverbaasde houtvester. Die verbiedt hem buiten vuur te maken, omdat hij daarmee de groei van het natuurlijke bos in gevaar brengt. De man zegt hem, dat dit het eerste woud is dat zo maar vanzelf opgekomen is. In 1935 komt een overheidsdelegatie het natuurlijke woud inspecteren. “Er werden vele nutteloze woorden uitgesproken. Er werd besloten iets te doen en gelukkig werd er niets gedaan, behalve dan het enig zinvolle: het woud werd onder staatsbosbeheer gebracht en de aanmaak van houtskool werd erin verboden. Want je moest wel geboeid zijn door de schoonheid van die jonge, kerngezonde bomen.”

Gasauto's

In de Tweede Wereldoorlog loopt het project van Elzeard even gevaar, omdat auto's op gasgeneratoren gaan lopen en daarvoor is veel hout nodig. Men begint te kappen in de eerste eiken die Elzeard plantte. Maar omdat de wouden zover van berijdbare wegen liggen, houdt men hier snel mee op. Elzeard merkt er overigens weinig van want hij bevindt zich inmiddels dertig kilometer verderop. Hij plant rustig verder, de Tweede Wereldoorlog gaat net als de Eerste aan hem voorbij.

In 1945 bezoekt Jean Giono de inmiddels 87-jarige Elzeard voor het laatst. Met de bus gaat hij naar het gehucht Vergons. Toen hij daar in 1913 voor het eerst kwam, woonden er nog maar drie mensen. “Ze waren wild, hadden een hekel aan elkaar, leefden van de vallenjacht: zo ongeveer in de morele en fysieke staat van de prehistorische mens.” Er waaide toen een droge en harde rukwind. In 1945 waait er een “zacht, met geuren bezwangerd briesje”, dat vanaf de wouden op het dorpje neerdaalt. “En het meest verbazingwekkende tenslotte: het geluid van water dat in een bekken stroomde.” De oude bronnen, gevoed door de regen en de sneeuw die door de wouden vastgehouden wordt, zijn weer gaan stromen. In Vergons is de hoop weergekeerd. Bouwvallen zijn opgeruimd en er zijn nieuwe huizen gebouwd. Er wonen achtentwintig mensen, waaronder vier jonge gezinnen.

“Als ik reken wat er allemaal voor nodig is geweest aan trouw, zielegrootheid en edelmoedigheid, om dit resultaat te bereiken, dan voel ik een reusachtig respect voor die oude boer zonder enige culturele achtergrond, die dit Godwaardige werk tot een goed einde wist te brengen. Elzeard Bouffier is in 1947 vredig gestorven in het gasthuis van Banon”, zo besluit Jean Giono.

Dit verhaal schreef Jean Giono in februari 1953 op verzoek van het Amerikaanse blad Readers Digest. Het moest deel uitmaken van de serie The Most Unforgettable Character I've Met, maar het verhaal werd niet geplaatst. De redactie, die volgens vertaler Ernst van Altena niet verdacht kan worden van literaire bevlogenheid, had geprobeerd de feiten in het verhaal te controleren. De naam Bouffier trof men veel aan in het beschreven gebied, maar de wouden waren onvindbaar. Giono werd voor bedrieger uitgemaakt en zijn bijdrage geweigerd.

Toen de redactie van Vogue hiervan hoorde, publiceerde deze het artikel in maart 1954. Giono (1895-1970) komt uit de Provence en baseerde zijn verhaal op jeugdherinneringen en op wandelingen met zijn vader, die altijd eikels meenam om op strategische plekjes eiken te planten die het landschap voor later moesten verfraaien.

Voor het eerst is dit prachtige verhaal nu in Nederlandse vertaling verschenen in de nieuwe milieu-cadeauboekenserie van Uitgeverij Jan van Arkel. Het boekje met harde zalmroze kaft is verfraaid met twintig prachtige houtsneden van de Amerikaan Michael McCurdy.