Vrouw en vlees

The Sexual Politics of Meat. A Feminist-Vegetarian Critical Theory door Carol J. Adams 256 blz., The Continuum Publishing Company 1990, f 50, 70 ISBN 0 8264 0455 3 (ook als paperback bij Polity Press 1990, f 42, 30)

In een vrouwenagenda uit het begin van de jaren tachtig, uitgegeven door het feministische blad Spare Rib, stond ooit en grapje over een vrouwenrestaurant. Vraag: “ Do you serve men?” Antwoord: “ No, this is a vegetarian restaurant.”

Op het eerste gezicht lijken feminisme en vegetarisme weinig met elkaar te maken te hebben. In het onlangs verschenen boek The Sexual Politics of Meat, dat ogenblikkelijk spraakmakend werd in de Verenigde Staten, legt de feministe en publiciste Carol Adams evenwel een direct verband tussen mannelijke dominantie en vrouwenonderdrukking enerzijds, en vlees eten en geweld tegen dieren anderzijds. Vanuit dat perspectief betoogt ze dat feminisme en vegetarisme in elkaars verlengde liggen. Haar boek behoort volgens de schrijfster dan ook evenzeer tot de feministische als tot de Animal Rights-literatuur.

Carol Adams staat in de traditie van het 'sociaal constructivisme', een wetenschapsfilosofisch stroming die maatschappelijke verschijnselen opvat als culturele constructies die mensen collectief - bewust dan wel onbewust - vormen en waardoor zij op hun beurt weer worden gevormd. Voor de constructivisten zijn feiten niet zomaar 'dingen daarbuiten in de wereld', maar mentale constructies ('discoursen') van de werkelijkheid. Tegen deze achtergrond ontrafelt Carol Adams de historische een literaire uitingen van wat zij 'the patriarchal texts of meat' noemt. Een interessante eye opener is daarbij de constatering dat men naast een 'feministisch discours' kan spreken van een 'discours van het vlees' (in de zin van eetvlees), en zelfs van een 'vegetarisch discours'. Vlees en het eten van vlees verschijnen in The Sexual Politics of Meat niet als 'objectieve feiten', en vegetarisme niet als slechts een persoonlijke gril.

In onze cultuur worden vlees, vleesconsumptie en vleesproduktie gewoonlijk opgevat in louter technische termen. En wanneer wel gewag wordt gemaakt van de sociale betekenissen van vlees gaat het meestal slechts over vlees gezien vanuit het menselijk perspectief en vlees als object van verhoudingen tussen mensen. Voorbeelden hiervan zijn diverse antropologen in de traditie van het structuralisme, zoals Claude Levi-Strauss (met zijn Le Cru et le cuit), Edmund Leach (met zijn Animal Categories and Verbal Abuse) en Mary Douglas (met haar Purity and Danger en Deciphering a Meal). Deze wetenschappers hebben zich vooral beziggehouden met de sociale betekenissen van gekookt en rauw vlees ('cultuur' versus 'natuur'), de - vermeende - reinheid of onreinheid van dieren van wie het vlees afkomstig is, de plaats van de betreffende dieren in de menselijke indeling van flora en fauna, en het belang van de diverse gangen en gerechten tijdens een maaltijd. Alles blijft in hun werk echter draaien om de betekenis van vlees voor mensen.

BARBECUES

Ook Carol Adams bevindt zich in het eerste hoofdstuk van haar boek nog binnen deze antropocentrische grenzen. Ze begint met het beschrijven van enkele politiek-culturele betekenissen van vlees. Daarbij constateert ze dat vlees altijd is gegeten door degenen die de macht in een samenleving hebben. Zo heeft de aristocratie in Europa altijd grote hoeveelheden vlees geconsumeerd, terwijl de werkende klasse het vooral met samengestelde koolhydraten moest doen. Naast verschillen tussen klassen bestonden er grote verschillen tussen de seksen. Eeuwenlang zijn vrouwen als tweederangs burgers veroordeeld geweest tot het eten van wat werd beschouwd als tweederangs voedsel: groenten, vruchten en graan. Er bestaat een schilderij van de Engelse koning Hendrik VIII waarop te zien is hoe hij steak-and-kidney-pie eet, terwijl zijn zes echtgenotes en alle andere afgebeelde vrouwen geen van allen een meat pie eten, maar een groentegerecht nuttigen.

Het seksistische karakter van het eten van vlees wordt nog eens bevestigd in de ook vaak door vrouwen aangehangen mythe dat vlees echt mannenvoedsel is: “ Real men eat meat.” Illustraties van die opvatting kom je nog dagelijks tegen. In het ruige Autralische achterland bijvoorbeeld, bij uitstek een mannenmaatschappij, rijden talloze vrachtwagens rond met stickers als: “ You are in cattle country, eat beef you bastard!” Spreekwoordelijk zijn de Australische en Amerikaanse barbecues waar mannen, die zich anders nooit met het koken bemoeien, plotseling gaan slepen met grote lappen bloederig vlees, de vrouwen delegerend naar de - veel bewerkelijker - salades.

Ook in talloze niet-westerse culturen blijkt vlees een mannenaangelegenheid te zijn, terwijl vrouwen en kinderen maar zo nu en dan wordt toegestaan vlees te eten. Zo wijst Adams erop dat vrouwen (en niet alleen in de Derde Wereld) zichzelf eiwitrijk voedsel ontzeggen ten gunste van hun mannen. Ethiopische vrouwen bereiden vaak twee maaltijden tegelijk: een met vlees voor de mannen en een tweede zonder vlees of enig ander eiwit voor de vrouwen.

Zelf heb ik in Noord-Afrika verscheidene keren meegemaakt dat vrouwen alleen de volwassen mannen van het gezin en hun (mannelijke) gasten vlees voorschotelen. Gedurende oorlogsvoering, een bij uitstek mannelijke bezigheid, gaat het beschikbare vlees gewoonlijk naar de soldaat. De overtuiging daarachter luidt dat het eten van een sterk dier de mens sterk maakt. Er is, kortom, een wereldwijd geloof dat mannen als kostwinners meer behoefte hebben aan vlees. En dat terwijl de behoefte aan (ook dierlijk) eiwit het grootst wordt geacht onder zwangere en zogende vrouwen.

Bij de confrontatie tussen westerse en niet-westerse culturen speelde vlees eveneens een opmerkelijke rol. In de geschiedenis van het Britse kolonialisme zijn rijst- en aardappeletende volkeren (zoals Hindoes en Ieren) vaak als inferieur beschouwd. Bovendien waren kolonialen van mening dat het kannibalisme dat zij incidenteel aantroffen (of meenden aan te treffen) bij niet-westerse volken, door niets anders kon worden verklaard dan door een gebrek aan dierlijk eitwit. Onnodig te zeggen dat kannibalisme te boek stond als de ultieme vorm van barbarij en dat de introductie van dierlijk vlees in het menu werd opgevat als een belangrijke beschavingsmissie van het westen.

In onze tijd is vlees voor velen nog steeds de kern van een maaltijd, de groenten zijn bijzaak. In het Engels bestaan er uitdrukkingen als 'the meat of the matter' en 'where's the beef? ', waarbij het vlees een metafoor is voor 'de kern van de zaak'. Groenten ('vegetables') roepen daarentegen de associatie op met passiviteit, zoals in 'vegeteren'.

SLACHTEN

Adams betoogt in haar boek helaas niet expliciet dat bij de problematiek van het vlees niet alleen de verhouding tussen mensen in het geding is, maar ook en vooral de verhouding tussen mensen en dieren. Vernieuwend en grensverleggend in haar benadering is echter wel haar inzicht dat ook de mens-dierverhouding een sociale betrekking is, en dat er naast de perspectieven van diverse menselijke groepen ook zoiets bestaat als het perspectief van het dier. Hierdoor kan zij in haar vraagstelling het antropocentrisme van haar voorgangers overstijgen.

Zij wijst erop dat vlees eten de frequentste vorm is van menselijke interactie met dieren. Voorwaarde is de transformatie van een levend dier tot dood vlees, tot eetbare materie. Om een dier tot vlees te maken, moet het worden geslacht. Door het slachten worden dieren, zo betoogt Adams, tot 'afwezige referenten': het is alsof ze er niet meer bij zijn. Dat zijn ze ook niet, want om vlees te worden, moeten ze dood. En zodra ze vlees geworden zijn, worden ze nog op een andere manier 'afwezig' gemaakt: ze worden hernoemd. In het Engels is dat het duidelijkst. Een pig wordt 'pork', een calf wordt 'veal', een sheep wordt 'mutton'. In het Nederlands kennen we veel minder van dit 'dierverhullend' taalgebruik: toch veranderen koeien in 'sukadelapjes', of 'tartaartjes', en kippen worden 'kip' - een abstract gerecht.

Zelfs als metafoor worden tot-vlees-herleide dieren als afwezig beschouwd. Een misbruikte of mishandelde vrouw kan zeggen: “ Ik voelde me als een stuk vlees”, waarmee ze bedoelt dat ze werd gedegradeerd tot een ding zonder gevoel. Adams spreekt haar eigen feministische achterban erop aan dat maar al te vaak de metafoor van het vlees an sich niet ter discussie wordt gesteld. Men verliest volgens haar uit het oog dat 'een stuk vlees' niet alleen een illustratie vormt voor een subjectieve ervaring van vrouwen, maar voor dieren een werkelijke slachtervaring betekent: dieren worden echt tot stukken vlees gemaakt. Feministen eigenen zich zodoende de beeldspraak van het slachten toe zonder stil te staan bij datgene waaraan de beeldspraak refereert, namelijk datgene wat dieren in werkelijkheid wordt aangedaan. Het is alsof het 'tot vlees worden gemaakt' van dieren vanzelfsprekend is en geen ontmaskering behoeft.

Adams betoogt niettemin dat de positie van het dier in 'het verhaal van het vlees' dezelfde is als de positie van de vrouw in 'het verhaal van het patriarchaat'. Een aantal vooraanstaande feministen heeft overigens soortgelijke verbanden impliciet al eerder gelegd, zoals Adams erkent. Termen als 'carnivoor kannibalisme' van Simone de Beauvoir, 'gynicidale vraatzucht' van Mary Daly, en 'seksueel kannibalisme' van Kate Millett, dateren al van jaren geleden. Ze verwijzen onomwonden naar associaties tussen gangbare vrouwbeelden en 'vleesbeelden', en die tussen mannelijke seksualiteit en 'consumptie'.

EIWIT

Het is verleidelijk te denken dat dit alles alleen maar gaat over woorden, ideeen, abstracties, over de manier waarop beelden werken, en te doen alsof er in werkelijkheid geen stukken vlees, geen slachthuizen en geen keukens bestaan. Maar hamburgers en T-bones zijn stukjes dier, houdt Adams ons meedogenloos voor. Zij tekent daarbij aan dat wat we consumeren ook nog veelal 'vrouwelijke' vormen van eiwit zijn: 'feminized protein', zoals melk en eieren.

Het slachten van dieren is iets uniek menselijks. Wij zijn de enige diersoort die nauwelijks rauw vlees eet, maar ook de enige die de lichaamsdelen (snavel, tanden, klauwen) mist om onze prooi in stukjes te kunnen verdelen. We hebben werktuigen nodig. Veel mensen die gedachteloos vlees eten, willen liever niet weten hoe met die werktuigen een dier tot 'vlees' wordt. Kennis over het slachtproces, hoe sec ook, belemmert de eetlust en ontkracht de verhullende benoeming van hetgeen op het bord ligt. In onze cultuur is alles erop gericht een tegenstribbelend, angstig gillend en om zich heen trappen wezen onzichtbaar te veranderen in consumeerbaar vlees.

In haar boek wijst Adams erop dat vegetariers die de dingen bij hun naam noemen, al heel snel het predikaat 'sentimenteel' krijgen opgeplakt. In werkelijkheid zijn het juist de vleeseters die geweld tegen dieren in hun symbolische taalgebruik verdoezelen. Kenmerkend daarvoor zijn ook de bewoordingen van advertenties. Wat bijvoorbeeld te denken van plaatjes met biggetjes die zichzelf blijmoedig op een bordje aanbieden, of van een reclamezin als “ vlees geteeld op malse, groene weiden” ?

Het zijn soms kinderen die volwassenen in verlegenheid brengen omdat ze dit verhullende taalgebruik niet hanteren, en het 'afwezige' dier weer in ere willen herstellen. Ik herinner me mijn eigen consternatie toen ik - drie of vier jaar oud - voor het eerst besefte dat vlees 'dier' was. Adams wijst op de moeilijke positie van vegetariers die hun keuze moeten verdedigen - bij voorkeur tijdens een maaltijd, de slechtst mogelijke entourage - temidden van een dominante cultuur waarin het eten van vlees nooit gelegitimeerd hoeft te worden.

Nieuw is de reconstructie die Adam geeft in haar boek van de lange traditie van vegetarische protestliteratuur. Die stamt al van de klassieken, bijvoorbeeld Pythagoras, en de Romantiek, bijvoorbeeld Percy B. Shelley en Mary Wollstonecraft Shelley, de schrijfster van Frankenstein, met het monster wiens vegetarisme zelden wordt onderkend. Tevens laat zij zien hoe door de eeuwen heen vegetarische standpunten veelal bewust zijn verdonkeremaand, onder andere in biografieeen die over diverse suffragettes zijn verschenen. Adams meent dat in plaats van te onderkennen dat vegetarisme een integraal onderdeel vormde van de levensbeschouwing van deze vrouwen, hun biografen het vaak als een vreemde persoonlijke gril zagen, waaraan verder geen aandacht hoeft te worden besteed . Dit werd duidelijk toen ze de bronnen - veelal persoonlijke brieven - na ploos, waarop standaardwerken als History of Woman Suffrage en Notable American Women 1607-1950 zich baseren. In haar eigen boek vermeldt Adams zo'n tien strijdsters voor het vrouwenkiesrecht die tegelijkertijd vegetarisch waren. Zij vat als eerste de traditie van vegetarische geschriften op als vorm van protestliteratuur en ontrafelt de tendens ze in deze zin te bagatelliseren.

Hoewel ik het met Adams eens ben dat alle sterke verhalen over de 'noodzaak' van vlees eten nodig op de vuilnisbelt moeten, is het door haar aangevoerde feit dat de meerderheid van de mensheid op de wereld weinig of geen vlees eet, geen goed argument voor het vegetarisme. Sterker nog, het riekt naar biologisch, dan wel sociologisch essentialisme: de mens zou - 'van nature' of 'van culture' - er niet voor toegerust zijn om vlees te eten, en daarom moeten we het niet doen. De wens lijkt helemaal de moeder van haar gedachte te worden, als Adams vervolgens ijskoud beweert dat de mens 'van nature' een herbivoor is. Als er dan toch biologische argumenten moeten worden gebruikt, dan is juist dit argument op wetenschappelijke gronden niet staande te houden.

Bij haar pogingen met The Sexual Politics of Meat de culturele consensus van het vlees eten op de tocht te zetten, ontmoette Adams naar eigen zeggen een 'agressief intellectueel verzet'. Hoe waagde ze het om de voedselkeuze van mensen te bekritiseren, terwijl zovelen op de wereld uberhaupt te weinig te eten hadden? De felheid van de reacties maakte haar duidelijk hoe diep geworteld de gangbare houdingen tegenover vlees zijn. “ Ik werd gesterkt in mijn overtuiging dat vlees eten een culturele constructie is. Daarnaast vertegenwoordigt het een maatschappelijke macht, een economische realiteit en een zeer persoonlijke kwestie, “ schrijft ze.

Dat er in de hoofden van mensen, zowel bij daders als slachtoffers, altijd verband is geweest tussen de schending van de integriteit van dieren en die van vermeende tweederangs mensen, in het bijzonder vrouwen, maakt Adams volgens mij aannemelijk. De historische en literaire beelden en volkse uitdrukkingen die slaan op zowel dieren als vrouwen, en die beide categorieen wezens plegen voor te stellen als consumeerbare en exploiteerbare objecten, zijn onmiskenbaar legio. Volgens Adams autoriseert en legitimeert de dominante patriarchale cultuur niet alleen de symbolische consumptie van vrouwen, maar ook de letterlijke consumptie van dieren.

Het is allemaal verrassend en uitdagend leesvoer. Maar wat Adams niet overtuigend heeft aangetoond in haar boek, is dat feminisme en vegetarisme, respectievelijk het antwoord op mannelijke exploitatie van vrouwen en op menselijke exploitatie van dieren, filosofisch op elkaar aansluiten. Of het moest gaan om een algemeen protest tegen uitbuiting, manipulatie, het tot willoos object maken, en de aantasting van de integriteit van levende wezens.