Gesprek met dirigent Mariss Jansons; Ik wil honderd mensen overtuigen

Wat Mariss Jansons niet denkt als hij begint te dirigeren is: nu zal ik eens een sierlijke zwaai maken met mijn linkerhand. Alleen de allerslechtste dirigenten maken zich druk over hun bewegingen, zegt hij. Jansons, geboren in Riga, is net als zijn vader dirigent van het Philharmonisch Orkest van Leningrad en dirigeert regelmatig gerenommeerde Europese gezelschappen als de Berliner Philharmoniker en het Concertgebouworkest. Maar hij blijft chef-dirigent van het Oslo Philharmonisch Orkest. “Ik sta graag voor een orkest waar nog aan gesleuteld moet worden. Dat is een grote uitdaging.”

Er wordt op de millimeter gewerkt. Het orkest demonstreert het uiterste van zijn kunnen en staat onder hoogspanning. De dirigent vertelt tussendoor een mop die dienst moet doen als bliksemafleider. Gorbatsjov en Bush ontmoeten elkaar. Gorbatsjov zegt tegen Bush: “Ik zit met een groot probleem. Ik heb twee maitresses, een van beiden heeft Aids, maar ik weet niet welke.” Bush antwoordt: “Dat is nog niks. Ik heb twee lijfwachten, een van beiden is een terrorist, maar ik weet niet welke.” Waarop Gorbatsjov weer zegt: “En ik heb twee economen, een van beiden is goed, maar ik weet niet welke.” De truc slaagt, het orkest lacht de spanning tijdelijk weg en er kan weer verder gewerkt worden. De dirigent heet Mariss Jansons en hij staat voor het Oslo Philharmonisch Orkest.

Zaterdagochtend, elf uur. Het is koud in Oslo, de sneeuw die al enkele weken ligt is vuil en op sommige plaatsen veranderd in een dikke ijslaag. Op het plein voor het Koninklijk Paleis zijn er kleine heuvels uit geboetseerd, waarop honderden brandende kaarsen zorgen voor een sprookjesachtig effect. Koning Olav overleed twee weken geleden en de Noren bewijzen hem met deze kaarsen de laatste eer.

Enkele straten verderop, in de richting van het fjord, ligt het Konserthus. Daar is niets van de betoverende sfeer te merken. Het Oslo Philharmonisch Orkest werkt er onder leiding van chef-dirigent Jansons hard aan een opname van de twee laatste delen van Sjostakovitsj' Zesde symfonie. Het eerste deel is een dag eerder opgenomen en gisteravond werd de symfonie met groot succes uitgevoerd in dezelfde zaal. Maar een concert is nog geen cd-opname. Jansons holt voortdurend op en neer tussen zijn plaats voor het orkest en de provisorische opnamestudio voor overleg met John Fraser, de producent van EMI. Later zullen aan de snijtafel de beste fragmenten aan elkaar worden gemonteerd op een manier die zelfs op dure cd-spelers en voor ontwikkelde oren onhoorbaar is.

Mariss Jansons vindt niet dat de luisteraar door de moderne opnametechniek wordt bedrogen. “Natuurlijk bestaat het gevaar dat muzikale overwegingen ondergeschikt worden aan de microfoonopstelling en andere technische problemen. Maar ik wil een perfecte opname, ik ben niet tevreden met alleen sfeer. Wel probeer ik de opgewondenheid op te roepen van een concert, waarbij niet gestopt kan worden en iedere fout onherroepelijk is. Een opname is voor mij als dirigent daardoor bijzonder vermoeiend, want ik moet me voor iedere passage, zelfs al gaat het om een paar maten, volledig opladen. Als mij dat lukt, volgt het orkest vanzelf.”

Nog niet zo lang geleden was het Oslo Philharmonisch Orkest een onbekend, plaatselijk gezelschap. Het niveau was redelijk, maar de Osloers waren absoluut geen concurrent voor de grote Europese en Amerikaanse orkesten. Met de komst van Mariss Jansons in 1979 als chefdirigent kreeg het orkest een warmere, meer romantische klank. Jansons kneedde het orkest naar zijn idealen. Hij benadrukt de expressieve en dramatische kant van muziek. Inmiddels verschenen er al meer dan een dozijn cd's, die het goed doen op de internationale markt. Jansons: “Ik sta graag voor een orkest waar nog aan gesleuteld moet worden. In Oslo hebben we inmiddels een goed niveau bereikt, maar nu komt het aan op de details. Dat is een grote uitdaging.”

Aantrekkelijke aanbiedingen voor een vast dirigentschap bij een van de gerenommeerde orkesten in Europa en Amerika heeft Jansons om die reden tot nu toe afgeslagen. Wel treedt hij regelmatig op als gastdirigent, onder meer bij het London Symphony Orchestra, de Berliner Philharmoniker en de orkesten van Montreal en Pittsburgh. Op 6, 7 en 8 februari zal hij voor de vierde keer sinds 1988 het Koninklijk Concertgebouworkest leiden.

Mariss Jansons werd in 1943 in Riga geboren. Zijn moeder was daar concertzangeres, zijn vader dirigent aan de opera. Toen hij een jaar of drie was, ging Mariss al mee naar ballet-uitvoeringen waar zijn vader dirigeerde. Hij begreep niets van wat hij zag en hoorde, maar werd er enorm door gefascineerd. Naar de opera mocht hij niet, daarvoor vonden zijn ouders hem nog te jong. Jansons heeft een foto van zichzelf als vierjarig knaapje, staande op een stoel met een partituur voor zich, een dirigeerstokje in de hand en zelfs een soort pandjesjas aan. Nee, geen spiegel, die heeft een echte dirigent volgens hem niet nodig.

In 1957 verhuisde Jansons naar Leningrad, waar zijn vader een aantal jaren tevoren was benoemd tot tweede dirigent van het beroemde Philharmonisch Orkest van Leningrad. Hij studeerde viool, altviool en piano, als voorbereiding voor een opleiding tot dirigent. Dank zij een studiebeurs kon hij tussen 1969 en 1972 buiten Rusland studeren. In die tijd werkte hij onder meer met Hans Swarowsky in Wenen en Herbert von Karajan in Salzburg. Hij won in 1971 het Karajan dirigentenconcours in Berlijn, en werd in hetzelfde jaar assistent van Jevgeni Mravinski, de legendarische chef van het Leningrad Philharmonisch Orkest. In 1985 volgde hij zijn vader op als tweede dirigent van dit orkest, een functie die hij ook nu nog bekleedt.

Een huis heeft Mariss Jansons niet, al beschouwt hij Oslo als zijn woonplaats. Als hij niet in het buitenland verblijft, woont hij er met zijn vrouw in een suite in Hotel Continental, op loopafstand van het Konserthus.

Waarom wil iemand dirigent worden?

“Een dirigent moet een leider zijn. Hij houdt van de uitdaging om honderd mensen te overtuigen van zijn visie op muziek. Verder is een moderne dirigent een soort psycholoog. Dat geldt eigenlijk pas voor de naoorlogse generatie. Daarvoor waren dirigenten echte dictators. En een dictator is niet gevoelig voor de emoties van zijn onderdanen.

“Dirigenten worden vaak vergeleken met instrumentalisten, met het orkest als hun instrument, maar die vergelijking gaat niet op. Dirigeren is eerder als het op afstand bedienen van een televisie: je drukt op een knop en een eind verderop verandert het beeld. Wat er precies gebeurt tussen die knop en de televisie, de infrarode straal, blijft onzichtbaar. Als een pianist een andere toon wil, hoeft hij alleen maar de toets iets harder aan te slaan. Maar een dirigent heeft geen toetsen. Hij moet het hebben van zoiets ongrijpbaars als een uitstraling. Er bestaan voortreffelijke musici met veel kennis van zaken, maar ze missen de vloeiende bewegingen die een dirigent nodig heeft. Er zijn er die ook nog prachtige bewegingen kunnen maken en toch geen goede dirigenten zijn.”

Is een dirigent ijdel?

“Dirigenten lijken een soort theatershow op te voeren, waarin ze proberen met gebaren de muzikale expressiviteit uit te beelden. Maar het is geen ingestudeerd toneelstukje, de gebaren liggen niet vast. Er zijn natuurlijk bepaalde codes: een trillende linkerhand voor een steviger vibrato, een afwerend gebaar of een vinger voor de mond voor een diminuendo, maar soms blijken die ineens niet te werken. Dan zul je iets anders moeten vinden. De meeste mensen zijn gewend met het hoofd te schudden als ze nee zeggen, en te knikken als ze ja bedoelen. In Bulgarije is dat net andersom.

“In die paar seconden voorafgaande aan de inzet van een symfonie maak ik een voorstelling van het karakter, de klank en het tempo van de muziek, alsof ik in gedachten met alle elementen van de muziek een huis bouw. Als resultaat van die voorstelling ontstaat het eerste gebaar vanzelf. Ik denk niet: nu zal ik eens een sierlijke zwaai maken met mijn linkerhand. Want dan wordt dirigeren een show. Alleen de allerslechtste dirigenten maken zich druk over hun bewegingen. Hoe fraai hun gebaren misschien ook lijken, het kan nooit leiden tot een goede uitvoering. Dat betekent niet dat de slagtechniek onbelangrijk is. Een gebrek aan techniek kan heel verwarrend zijn voor een orkest. Maar het is niet doorslaggevend.

Weet u welk effect een bepaalde beweging heeft?

“Niet direct, omdat ik niet nadenk over wat ik precies doe. Wel hoor ik natuurlijk of het resultaat gelijk is aan de voorstelling die ik me ervan had gemaakt. En zoals een dokter weet welke tabletten hij moet voorschrijven als hij de diagnose heeft gesteld, weet ik meestal wel hoe ik moet corrigeren als ik niet tevreden ben. Soms is het voldoende om even met de ogen te knipperen, soms moet je je hele lichaam inzetten om een emotie over te brengen.”

Bent u in staat om tijdens een uitvoering alle honderd musici tegelijkertijd in de gaten te houden?

“Eerlijk gezegd ontgaat je wel eens iets. Net als wanneer je met iemand in gesprek bent en ergens anders wordt geroepen. Je hoort het wel, maar je merkt het niet op omdat je te zeer verwikkeld bent in het gesprek. Foute noten hoor ik meestal wel, maar veel belangrijker is de balans in het orkest, de krachtverhoudingen, het tempo, de intensiteit. Als een dirigent die niet hoort, is dat tragisch.”

Na de laatste maten van de Zesde van Sjostakovitsj komt Jansons bezweet en uitgeput de studio binnen. Hij heeft in het laatste deel een zware strijd geleverd met Sjostakovitsj' explosieve muziek, als een stierenvechter die een steeds wilder beest tegenover zich ziet. Aan de opluchting op Jansons gezicht is af te lezen dat hij zichzelf als overwinnaar beschouwt. Eventueel kan het orkest maandag nog worden opgetrommeld voor de laatste correcties.

Mariss Jansons heeft een klein, enigszins gedrongen postuur. Zijn bewegingen als dirigent zijn eerder krachtig dan groots, en ze zijn altijd duidelijk. Hij maakt een vriendelijke en, zeker voor een dirigent, opvallend bescheiden indruk. Maar dat is schijn. Voor het orkest, met zijn dirigeerstok in de hand, glijdt die bescheidenheid onmiddellijk van hem af.

Jansons: “Helaas kan een dirigent niet democratisch zijn. Hij moet de beslissingen nemen. Vroeger gebeurde dat met harde hand, maar musici zijn geen machines, een dirigent moet respect hebben voor hun muzikaliteit. Af en toe produceert een orkest tijdens een repetitie onverwacht een klankkleur die ik zo mooi vind, dat ik die later ook met andere orkesten uitprobeer.”

Zijn de verschillen tussen orkesten groot?

“Sommige dingen zijn in ieder orkest hetzelfde, zoals de verschillen tussen strijkers en blazers. De laatsten zijn individualisten. Niet alleen in het orkest, waarin ze vaak een solistische functie hebben, maar ook in hun karakter. Als het enigszins kan, laat ik de blazers zoveel mogelijk hun gang gaan. Violisten hebben leiding nodig.

“Maar een orkest heeft, zeker als het befaamd is, een eigen persoonlijkheid. Als je voor het eerst binnenkomt moet je als dirigent absoluut zeker zijn van je zaak, maar hooghartigheid is uit den boze. Je moet de balans zien te vinden tussen zelfvertrouwen en bescheidenheid. Hij is te vergelijken met een leraar. Op een gymnasium worden hogere eisen aan hem gesteld, maar als hij daarop is voorbereid heeft hij het gemakkelijker dan op scholen waar het niveau lager ligt. Ook een leraar kent de spanning van het moment waarop hij met een nieuwe klas wordt geconfronteerd. Een goede docent heeft snel in de gaten wie de raddraaiers zijn, wie de besten zijn, en hoe hij ze moet aanpakken. De eerste tien minuten wordt er een gevecht op leven en dood gevoerd. Als de leraar dat gevecht wint, is hij voorgoed de baas.

“Er zijn orkesten waarmee het direct klikt, bij andere verloopt de kennismaking stroef en bij sommige gaat het helemaal mis. Oorzaken zijn meestal moeilijk aan te wijzen, dat gaat voornamelijk intuitief. Zo voel ik, als ik voor het eerst een concertzaal binnenkom, meteen hoe de atmosfeer is. Ik hoor aan het applaus en zie aan de gezichten of er een geinteresseerd publiek zit of een verzameling snobs.”

U bent vaste dirigent in Leningrad en u hebt al enkele keren voor het Concertgebouworkest gestaan. Beide behoren tot de gymnasia onder de orkesten. Zijn ze met elkaar te vergelijken?

“Beide zijn fantastische orkesten en dat weten ze van zichzelf. Verschillen zijn vooral een gevolg van het klimaat waarin gewerkt wordt. In Leningrad is de situatie, zoals in de hele Sovjet-Unie, op dit moment bijzonder moeilijk. Het heeft invloed op de kwaliteit van het spel, al is dat moeilijk meetbaar. Als ik verkouden ben, heb ik het gevoel dat ik tijdens het concert alles geef wat erin zit. En waarschijnlijk is dat ook zo! Maar toch werk ik minder goed dan normaal. Zo denkt een musicus die het koud heeft misschien ook dat hij alles geeft. Maar toch leidt de kou hem af en de extra energie die hij nodig heeft om zich te concentreren, kan hij niet meer gebruiken om mooi te spelen.

“Toen ik jonger was, kon ik me daarover behoorlijk opwinden. Nu probeer ik er begrip voor te hebben, al valt dat niet mee. Want in die paar uur dat je muziek maakt, moet je als in trance zijn en alles om je heen vergeten. Dat is een verantwoordelijkheid tegenover jezelf, tegenover de muziek en tegenover het publiek. Muziek is in de Sovjet-Unie heel belangrijk. Mensen gaan meer naar concerten dan vroeger. Het is een compensatie voor alle ellende.”

Is er voor de muziek de laatste jaren in Rusland ook iets ten goede veranderd?

“In het Westen heeft men een vertekend beeld van het Russische muzikale klimaat. Het is waar dat vele jaren geleden de muziek van Schonberg weliswaar niet verboden, maar toch 'ongewenst' was, en op de herdenking van de oktoberrevolutie speelde je niet het Requiem van Mozart. Maar verder werden we met rust gelaten. De mensen die beslisten over ongewenste muziek, waren meestal domkoppen. Politici begrijpen niets van muziek en ze houden er niet van. Schonberg... wie is dat?

“Het is gemakkelijker geworden om te reizen. Vroeger mocht je nooit langer dan negentig dagen achter elkaar in het buitenland zijn. En als we met het orkest op tournee gingen, werden we verzocht Russische muziek mee te nemen. Maar dat gebeurt in andere landen ook.”

Speelt een Russisch orkest beter Russische muziek dan andere orkesten?

“Nee, volgens mij maakt dat niet veel uit. Muziek is internationaal, al is Verdi voor Italianen natuurlijk als een kop thee voor Engelsen. Toscanini dirigeerde voortreffelijk Sjostakovitsj, en Mravinski was beroemd om zijn interpretatie van Bruckner met de Leningraders.”

Maar konden dirigenten uit het verleden zich in hun interpretatie niet veel meer permitteren?

“Nee, het is niet zo dat dirigenten vroeger weinig stijlgevoel hadden. De naoorlogse generatie musici heeft gewoon te weinig respect voor hun opvattingen. We hebben de traditie te gemakkelijk overboord gezet en veel te snel gedacht dat bepaalde stijlopvattingen ouderwets waren. Daardoor zijn we het contact met het verleden verloren. Ik zou de brug met de traditie juist willen verstevigen, ik ben voorstander van een geleidelijke vernieuwing.”

U hebt voornamelijk opnamen gemaakt van muziek uit de late negentiende en vroege twintigste eeuw. Hebt u een voorkeur voor een bepaald repertoire?

“De opnamen geven een vertekend beeld van mijn muzikale voorkeuren. Dat ik bij voorbeeld geen symfonie van Beethoven heb opgenomen is niet omdat ik niet van Beethoven hou. Integendeel. Alle dirigenten willen tegenwoordig hun eigen Beethoven-cyclus op cd. Maar luister naar Furtwangler! Wat zou ik daar op dit moment met het orkest van Oslo aan toe te voegen hebben?

“De echte klassieke muziek is heel teer, daar moet je voorzichtig mee omgaan. In muziek verschuilt zich achter de noten een wereld van beelden, associaties en gedachten. In de laat-romantische muziek ligt die wereld meer aan de oppervlakte. In klassieke muziek is ze abstracter, introverter. Technisch gezien zijn sommige werken van Richard Strauss of Strawinski heel lastig voor dirigent en orkest. Maar om relief te brengen in Beethoven of in langzame delen van een symfonie van Haydn en Mozart is misschien wel de zwaarste taak van een dirigent.”