Zieke gringa

Doodziek stap ik 's ochtends om half acht in Concepcion uit de nachttrein van Santiago.

Ik heb iets verkeerds gegeten, gisteravond. Op het station wacht een mijnwerker met een Volkswagenbusje. De eigenaar van een van de grootste kopermijnen van Chili heeft hem opdracht gegeven mij naar zijn kantoor in het dorpje Lota te brengen, vijftig kilometer naar het zuiden. De man houdt een verregend stuk karton omhoog met mijn naam erop. Precies de kleur van mijn gezicht. Hij helpt mij zwijgend het busje in. Ik val, eindelijk, op de achterbank in slaap.

Don Pedro Butazoni schudt mij ferm de hand. Speciaal voor de buitenlandse verslaggever heeft hij een tweedaagse excursie op touw gezet door de mijn waar hij sinds kort directeur van is. Hij is een goede vriend van Patricio Aylwin, die in maart 1990 president van Chili werd. “U gaat zo meteen een kilometer omlaag met de lift. Een treintje, zo hoog als deze tafel, zal u dan zes kilometer zee-inwaarts rijden. Dat duurt twee uur.” Met een stok wijst hij de belangrijkste wingebieden op de plattegrond aan. Mijn maag draait zich om. Ik zak langzaam, langs de kaart, op de grond. En dan gaat het snel. Met dezelfde bus van zo even word ik bij het ziekenhuis afgeleverd, even verderop. In de wachtkamer tillen verpleegsters me in een rolstoel. Steeds als ik mijn ogen open doe, zie ik verontruste gezichten. Mijnwerkers met beroete longen of met vermolmde meniscussen van het jarenlang op hun knieen werken. Wat doe ik hier? Ik heb alleen maar wat verkeerds gegeten.

Het ziekenhuisje van Lota heeft twee tweepersoonskamers, de meeste mensen liggen op zaal. In een van die kamers wordt het infuus in gereedheid gebracht. Flessen, doorzichtige zakjes, injectienaalden. Ik protesteer flauwtjes. Vier paar handen kleden me uit en dompelen me in een warm bad. Stukjes plafond dwarrelen op mijn hoofd. Het blauw-gestreepte ziekenhuishemd voelt hard aan. Alle zes dienstdoende dokters nemen mijn pols. Muy bajo, veel te laag. Dat is mijn leven lang zo geweest, mompel ik, maar ze blijven ernstig kijken. Als de eerste naald mijn arm ingaat, kraakt de deur. De eerste medepatienten komen binnen. Ze fluisteren met de verpleegsters en houden hun ogen op mij gericht. Mijn kamergenoot is een uitgeteerde vrouw van ver in de tachtig. Haar zestien kinderen houden met vijf tegelijk, met echtgenoten en kroost, dienst aan haar bed. Deze familie controleert de vloeistofspiegel van mijn infuus, schudt mijn kussens op en eet dankbaar de soep met de vetogen die mij viermaal daags wordt voorgezet. Naar goed voorbeeld van artsen en verplegend personeel stellen ze de onvermijdelijke vragen: Getrouwd? Kinderen? Alleen als er hoogwaardigheidsbekleders aan mijn bed verschijnen - Don Pedro natuurlijk, maar ook zijn vriendenkring en een toevallig passerende staatssecretaris - trekken ze zich terug bij het bed van de stervende grootmoeder. Ook de verpleegsters sporen hun verwanten aan die eenzame 'gringa' op te vrolijken. Ze brengen empanada's mee en cake, die ik niet mag hebben maar waar mijn buren uitstekend weg mee weten.

Door de combinatie van drie liter druppelend glucosevocht en aanhoudend geleuter ben ik er na een dag aardig bovenop. Met de verpleegsters neem ik de loonstaten door, 230 gulden per maand is ook in Chili niet veel als je zes dagen per week werkt. Ik treur met hen mee als blijkt dat de jonge mijnwerker die het ziekenhuis een dag na een hartoperatie uit geldgebrek verliet, thuis is doodgegaan. Een Chileen betaalt zijn ziektekosten zelf. Ik begin me bezwaard te voelen onder deze voorkeursbehandeling. Ik ben de ongekroonde koning van Lota en de directeur betaalt mijn rekening.

Na twee dagen daal ik alsnog in de mijnschacht af. De artsen verklaren me voor gek, maar Don Pedro maakt foto's van mij in uitrusting. Kistjes, overal, zuurstofmasker. Beneden begint de lamp op mijn hoofd vervaarlijk te zwaaien. Toch een beetje overmoedig geweest?''Een vrouw in de mijn, dat brengt ongeluk'', zegt een mijnwerker voor de grap. Drie uur later nemen de zes dienstdoende artsen om de beurt mijn bloeddruk op.