Wallage's prive-voorkeur mag gymnasium niet blokkeren

Het betoog 'Europese beschaving vereist contact met klassieken' van prof. Sicking in NRC Handelsblad van 10 januari zal naar zijn algemene strekking een goed onthaal vinden bij de voorstanders van gymnasiaal onderwijs.

Over het aantal pluimen en de grootte daarvan die hij en passant staatssecretaris Wallage op de hoed steekt, zal echter op zijn minst genuanceerd worden gedacht. Dat zit hem in de discrepantie tussen de globale, ietwat sussende uitspraken van de staatssecretaris over gymnasiaal onderwijs enerzijds en de beperkende bepalingen en beleidsvoornemens die hij aan de invoering van basisvorming koppelt anderzijds. Het wetsontwerp-basisvorming gaat namelijk niet alleen over inhoud, maar ook over uitvoering.

Het VWO, het gymnasiale deel daarvan in het bijzonder, zal geen moeite hebben met de inhoud; anders gezegd met het incorporeren van het basisvormingsprogramma in het totale schoolprogramma. Wel koestert men bezwaren tegen de uitvoeringsaspecten, met de beperking van de 'vrije ruimte' als hoofdbezwaar. Voor de vakken die wel deel van het totale schoolprogramma uitmaken, maar niet tot het basisvormingspakket behoren is de voorgestelde vrije ruimte van slechts tien procent (drie uur per week) gewoon te klein. Dat geldt zeker voor het gymnasiale onderwijs, dat immers lessen Latijn en Grieks te verzorgen heeft, maar ook een derde moderne taal, afgezien nog van levensbeschouwelijke vorming.

Met een wezenlijke vrijheid van inrichten van het schoolprogramma kan de leerstof optimaal over de leerjaren worden verdeeld. In het bijzonder geldt dit voor de klassieke talen, waarmee gezien hun moeilijkheidsgraad vroeg dient te worden begonnen. In de eerste jaren kunnen dan de eerste stappen worden gedaan van de ook door prof. Sicking gememoreerde taalverwerving. Die heeft niet alleen de functie van het voorbereiden van het eindexamenprogramma 'oude talen', maar levert ook wezenlijke steun, het wordt alom erkend, bij het leren van de moderne talen.

In het voorgaande ging het om het gymnasiale onderwijs in zijn geheel. Daarbinnen kennen we de categoriale vorm in de zelfstandige gymnasia en de niet-categoriale vorm in de lycea en bredere scholengemeenschappen. Van deze vormen hebben de zelfstandige gymnasia zich altijd sterk gemaakt voor het beginnen met Latijn in de eerste klas. Beide vormen verheugen zich overigens in belangstelling, maar met een nogal verschillend aantal gymnasiale leerlingen per school. In het schooljaar 1989-1990 telden de 38 zelfstandige gymnasia tezamen bijna 19.000 leerlingen, gemiddeld 496 per school. De 245 scholengemeenschappen met gymnasiale afdeling of stroom telden toen circa 30.000 gymnasiumleelingen, gemiddeld ongeveer 125 per school.

Uit de voorgaande cijfers blijkt dat de categoriale vorm van gymnasiaal onderwijs zich verheugt in een relatief grote belangstelling. Uit de toelichting op het recent bijgestelde wetsvoorstel-basisvorming en de uitspraken van de staatssecretaris blijkt forse druk op categoriale scholen en op zelfstandige gymnasia, om ze te doen opgaan in scholengemeenschappen. Zou het blijven bij zulke verbale uitingen van voorkeur, dan is er niets aan de hand. Iets anders wordt het als zo'n in operationele druk wordt omgezet: een vermindering van de financiering (toegekende leraarlessen) of uitstel van toegezegde bouwkundige voorzieningen.

Kort na invoering van de Mammoetwet (1969) waren dergelijke departementale manoeuvres ook al schering en inslag om scholengemeenschapvorming te stimuleren. Al waren bij die invoering in een klap 45 van de 85 zelfstandige gymnasia verdwenen, de overige hielden taai stand. In die tijd ontstond de 'Aksiegroep zelfstandige gymnasia', die overging in de oudercommissievereniging Landelijke Ouderraad Zelfstandige Gymnasia, die in wezen zo'n 30.000 ouders vertegenwoordigt.

Na genoemde 'aanslagen' zijn we nu ruim 20 jaar verder en we hebben nu een staatssecretaris die een goede en open relatie zegt te wensen. Argusogen zijn echter niet overbodig. Pleister op de wonde is wat begin dit jaar in Uitleg, een blad van het ministerie van onderwijs, te lezen sond: (Het kabinet merkt op) dat elke school die volgens de wet bestaansrecht heeft ook recht heeft op een voldoende bekostiging. Interessant is wat er nu zal gebeuren: trekt de staatssecretaris zijn juistgenoemde voorstel, c.q. maatregel in of negeert hij het kabinetsstandpunt? Voorlopig lijkt Wallage meer geneigd te zijn z'n eigen ideeen door te drukken (ook al verklaarde hij die voorlopig in zijn binnenzak te zullen bewaren) dan royaal bereid te zijn rekening te houden met de grote aantallen leerlingen en ouders die wensen te kiezen voor een zelfstandig gymnasium. Let wel, hij vindt mij aan zijn zijde als hij een grootscheepse voorlichtings- en wervingscampagne op touw zou zetten om bij kinderen van niveau 7 en 8 en hun ouders belangstelling te wekken voor gymnasiaal onderwijs, wat vermoedelijk voor een flink deel zou neerkomen op een aanzienlijk grotere gymnasiumbevolking bij de scholengemeenschappen bij een groter totaal aan gymnasiumleerlingen. Dat zou goed zijn, vooral ook omdat dan in de scholengemeenschappen een versterking van de gymnasiale stroom zou ontstaan met daaraan parallel een grotere motivering van de leerlingen. Maar een prive-voorkeur van de staatssecretaris mag toch niet de keuze van serieuze ouders blokkeren.

    • H. van Hoorn