Vluchtelingen wachten dagen in barre kou aan grens Irak

RUWEISHED (Jordanie), 31 jan. - In tent B2 klinkt een luid gesmak. Nog wat verkleumd maar opgewekt liggen onder dekens tientallen Egyptische vluchtelingen te kauwen op brood met tomaten en kleine komkommers.

Ze zijn die ochtend eindelijk in Jordanie aangekomen nadat de Iraakse autoriteiten hen dagenlang in ijskoud weer in de buitenlucht hadden vastgehouden omdat ze niet over de juiste uitreispapieren zouden beschikken.

De Iraakse regering gaf vorige week zelfs bevel aan de circa 3.000 gestrande vluchtelingen om de lange gevaarlijke reis terug naar Bagdad te maken om daar alsnog nieuwe visa op te halen. Dit bleek uiteindelijk niet nodig en sinds dinsdag arriveerden er elke dag vele honderden vluchtelingen in het transitkamp dat het Rode Kruis in de woestijn tussen de Jordaanse grensplaats Ruweished en de Iraakse grens heeft ingericht. Het zijn voornamelijk Egyptenaren en enkele Soedanezen.

Bij de meesten overheerst een gevoel van opluchting dat ze eindelijk in het veilige Jordanie zijn aangekomen, ook al hebben ze hun spaargeld moeten achterlaten. “In Bagdad was er geen werk meer, geen eten en geen geld”, zegt de 25-jarige Egyptenaar Adel Ahmed, die twee jaar in een kledingzaak in de Iraakse hoofdstad heeft gewerkt.

De 27-jarige Said Mohammed, een uit Suez afkomstige mecanicien, zat tot kort na het begin van de strijd in Basra. Vervolgens verbleef hij ruim een week in Bagdad. Volgens hem werden er bij de bombardementen van de Geallieerden veel gebouwen verwoest maar zijn er desondanks weinig slachtoffers gevallen onder de burgerbevolking.

De Egyptenaren maken geen geheim van hun diepe afkeer van Saddam Hussein en de Irakezen in het algemeen, omdat deze hen altijd discriminerend hebben behandeld. Een Rode Kruis-functionaris vertelt dat een groep Jemenieten, die enkele dagen daarvoor in het kamp verbleef, echter heel anders dacht over Irak. Toen een van de vele bezoekende journalisten tegelijkertijd enige Jemenieten en Egyptenaren ondervroeg, kregen deze binnen de kortste keren slaande ruzie. “Weg met Bush”, riepen de Jemenieten tegen de woedende Egyptenaren.

Ook de gevluchte Soedanezen, die wijselijk in een afzonderlijke tent worden ondergebracht, zijn niet allemaal tegen Saddam. Selva, een 21-jarige studente die al twee jaar met een Iraakse beurs aan de Universiteit van Arbil in het noorden van Irak studeert, betuigt haar grote liefde voor de Iraakse leider. “Ik houd werkelijk heel, heel veel van Saddam. Hij is een groot man”, verklaart ze. Ze was naar eigen zeggen helemaal niet bang voor de oorlog maar geeft nu slechts gehoor aan druk van haar familie in Soedan. Zo snel mogelijk hoopt ze weer terug te keren naar Arbil.

Sommige vluchtelingen vertellen dat de weg van Bagdad naar de Iraakse grenspost Treibeel regelmatig wordt gebombardeerd door vliegtuigen van de geallieerde luchtmacht. Geen van hen zegt echter zelf slachtoffers te hebben gezien. De aanvallen waren volgens een man vooral gericht op grotere voertuigen, in het bijzonder tankauto's maar niet op de inzittenden die eerst de kans kregen om hun voertuigen te verlaten.

Het verblijf bij Treibeel was vooral voor de Egyptenaren, die er het langste - soms meer dan een week - zaten, een beproeving. Ze moesten buiten in de woestijn overnachten terwijl het 's nachts meestal vroor en soms ook sneeuwde. De laatste nachten werden ze bovendien nog opgeschrikt door bombardementen die de Geallieerden vlakbij hen uitvoerden. Ook voedsel was er nauwelijks. Pas na geruime tijd mocht het Rode Kruis van Irak vanuit Jordanie voedsel naar de groep brengen. Onder de vluchtelingen circuleren hardnekkige geruchten dat enkelen van hen de koude in Irak niet hebben overleefd. Niemand heeft echter zelf slachtoffers gezien.

Een hoge functionaris van de Verenigde Naties verklaarde dinsdag nog dat rekening moet worden gehouden met een vluchtelingenstroom van wellicht 400.000 mensen uit Irak. Bij Ruweished is men klaar voor de opvang van grote aantallen nieuwkomers. Bij de grens is er behalve het Rode Kruis-kamp, dat 5.000 mensen kan herbergen, inmiddels een tweede doorgangskamp met een capaciteit van 10.000 vluchtelingen opgezet door de Nederlandse organisatie Artsen zonder Grenzen. Van Ruweished gaan de vluchtelingen zo snel mogelijk door naar kampen landinwaarts en dan door naar hun eigen land.

Jordanie wil dat de kosten van de opvang ditmaal geheel voor rekening van het buitenland komen. Amman, dat bij de opvang van de eerste grote stroom vluchtelingen in augustus en september zestig miljoen dollar uit eigen zak moest betalen, wil dat niet opnieuw doen nu de economie van het land het toch al zwaar heeft te verduren.

Vooralsnog zijn er echter geen problemen: niet alleen is het buitenland bereid om de opvang te verzorgen, bovenal is de verwachte tweede grote stroom vluchtelingen tot nu toe uitgebleven. Slechts enkele duizenden hebben Irak via Jordanie verlaten sinds het uitbreken van de strijd.

    • Floris van Straaten