Slalom-specialist Furuseth ziet uit angst op tegen afdaling; Alpine-skien is de bij Noren meer in trek dan het traditionele langlaufen

HINTERGLEMM, 31 jan. - Plotseling begint hij als een puber te blozen. “Eigenlijk had ik dit niet mogen vertellen.

Ik heb al te veel gezegd.” Ole Kristian Furuseth, net 24 jaar, vorige winter tweede in het algemeen klassement van de wereldbeker achter Zurbriggen en vorige week derde in het WK slalom in Hinterglemm, heeft zojuist verteld hoe hij aan het lijntje wordt gehouden door de skifirma Elan, waarmee hij vorig jaar een contract had. Even voor het gesprek had een vertegenwoordiger van het noodlijdende bedrijf met hem proberen te onderhandelen over het jaarsalaris waarop Furuseth en zijn landgenoot Aamodt nog recht hebben. “Vrijdag zal ik vertellen wat ik voor een stappen zal ondernemen tegen Elan”, kapt de Noor het onderwerp geschrokken af.

Furuseth is nog niet zoals alle andere topskiers in handen gevallen van managers als Marc Biver. Hij mag nog gratis interviews geven. Daartegenover staat dat hij zaakjes als met Elan zelf of met de Noorse bond moet regelen. Hij zegt geen hinder te ondervinden van de nare ontwikkelingen met de skiproducent. “Maar als ze in februari hadden laten weten dat ze niet met topsport doorgingen dan had ik al in maart bij Atomic kunnen tekenen. Nu kon ik pas in juni met Atomic-materiaal gaan skien. Dat is veel te laat. In juni kan dat alleen op gletsjers. En in augustus was al de eerste wereldbekerwedstrijd in Nieuw-Zeeland. Daar moet je al in maart mee beginnen, op echte sneeuw.”

Het tekent de naieve, maar oprechte manier waarop Furuseth zich in het harde leven van profskiers beweegt. Hij handelde met Elan te goeder trouw, ofschoon hij best op ander materiaal had willen en - gezien de talrijke riante aanbiedingen - kunnen overstappen. “Het is af een toe verstandig op ander materiaal te skien. Dat is goed voor de motivatie en je leert je bewegingen aanpassen.”

Dank zij met name Furuseth is Noorwegen op weg een grote skinatie te worden. Zijn prestaties hebben tot gevolg gehad dat de Noorse skibond met behulp van een miljoenensponsoring van de olietankersrederij Bergesen en de gezamenlijke Noorse zalmproducenten over alle gewenste faciliteiten kan beschikken. Furuseth schuift de eer door naar het afdalingsfenomeen Atle Skardahl, vorig jaar onder meer winnaar op de Hahnenkamm in Kitzbuhel. “Skardahl is sportman van het jaar geworden. Hij heeft meer charisma, een echte topper.”

Afdalers zijn mensen met een ander karakter, geeft hij toe. Afstandelijker, ogenschijnlijk relaxed, ze reageren secundair, laten alles op zich afkomen. Slalommers zijn agressiever, slaan - bijvoorbeeld de stangen - van zich af. “Als afdalers hebben gewonnen gaan ze feesten, moeten ze hun angst afreageren. Slalomskiers hebben al hun spanning al in de wedstrijd gegooid. Die zijn na afloop veel rustiger.”

Furuseth verwijst naar de mentaltesten die hij heeft moeten ondergaan. Aan de hand van de antwoorden op vragen over reacties in bepaalde situaties, worden nog verborgen talenten gestimuleerd. Uit die testen bleek onder meer ook dat afdalers iets anders dan slalommers zijn. “Maar”, voegt Furuseth, een rossige, ontwapenende, jongensachtige slungel, eraan toe, “door onze wetenschappelijke mensen is uitgevonden dat je niet zoals is beweerd als slalommer wordt geboren. Door training kun je als afdaler ook wereldkampioen slalom worden.”

Furuseth voelt er niets voor aan afdalingen mee te doen. “Ik ben er mentaal nog niet sterk genoeg voor. Gek misschien, want juist jonge jongens lijken geen angst te hebben. Die zijn stoer en hebben lef, zien geen gevaar.” Hij heeft weleens aan een afdaling meegedaan, maar angst bleek een te grote hinderpaal. “Het gekke is dat ik door mijn ervaring met langlaufen wel een beetje het gevoel voor een afdaling zou moeten hebben. Dat recht door gaan, zoals met langlaufen, is saai. Slalom is veel spannender.”

Het alpine-skien heeft de Noorse harten gestolen. Het traditionele langlaufen moet het tegenwoordig afleggen. Jan Fredrik Kvinnsland, parttime perschef van de Noorse skibond en journalist bij een avondkrant in Stavanger, probeert die nieuwe ontwikkeling te illustreren door te melden dat tijdens de wereldkampioenschappen Noorse ski-onderdelen in Noord-Italie momenteel geen enkele Noorse journalist is. “Elke krant heeft een of meer vertegenwoordigers hier in Saalbach.”

Furuseth (derde op de slalom), Aamodt (tweede op de Super G), Skardahl, Thorsen, Jagge, Marksten, Arnesen, Kjus en Linberg zijn grote, opvallende jeugdige talenten, die in korte tijd hun plaats in de top van het skicircus hebben gevonden. “Het gevolg van veel geld, hard werken, goede trainers en een goede organisatiestructuur”, verklaart Kvinnsland. Twee van die trainers waren de Joegoslavische broers Ales en Philip Gartner. De laatste was verantwoordelijk voor de snelle ontwikkeling van Furuseth. “Een man met psychologische gaven die Furuseth twee jaar geleden uit een depressie hielp. “

De Noorse bond beschikt over twaalf trainers, van wie de Oostenrijker Dieter Bartsch sinds twee jaar de chef is. Daarnaast bestaat een net van regiotrainers die de kennelijk schier onuitputtelijke kweekvijver van talenten onderhoudt. Einar Witteveen, zoon van een Nederlandse vader, is verantwoordelijk voor de slalomtrainingen. Hij zegt dat Noren ideale types zijn voor alpine-skien. “Ze hebben een ondergrond door het langlaufen, waardoor al vroeg de juiste spierontwikkeling plaatsvindt en je de lichaamsbalans aanleert. “Noren zijn gewetensvol, harde werkers met een goede mentaliteit en ze staan open voor nieuwe ontwikkelingen. Noren willen zo graag, want wat moet je anders in dit donkere land met lange winters?”

Noren zijn 'fitness-freaks', meent Witteveen. “Iedereen denkt dat we nu zo goed skien zijn omdat we trucs gebruiken. Maar daar zijn Noren te eerlijk voor.” Een zeer belangrijke rol vervult, volgens Witteveen, het team van conditietrainers onder leiding van Jarle Amboe. Hij heeft programma's ontworpen waarin lenigheid en acrobatiek hoofdonderwerpen zijn. “Niets daarin is gebaseerd op skien, op simulatie of imitatie. Alles op fitness.”

Daarom worden de skiers bijvoorbeeld geacht flicflacs te kunnen doen. Daarnaast zijn trampolinetrainingen voor kracht in combinatie met gevoel voor evenwicht en lichaamscoordinatie terugkerende oefeningen. Twee speciale trainers onderwerpen bovendien de skiers aan oefeningen die veel gemeen hebben met aerobic en callanetics. “Dat kennen ze niet in Zwitserland en Oostenrijk”, veronderstelt Witteveen. “Daar zijn de skitrainers ingeslapen in hun traditionele oefeningen.”

Het alpine-skien mag dan het noordse skien (langlaufen en schansspringen) in populariteit hebben verdrongen, een mogelijke hinderpaal in zijn ontwikkeling is het gebrek aan goede faciliteiten. “Ski-oorden zijn er weliswaar genoeg”, weet Kvinnsland “maar de hellingen zijn niet zo hoog en zeker niet zo lang. Dat is een nadeel. Maar skien kun je altijd. Omdat de hellingen vaak zo kort zijn, zijn ze 's avonds verlicht.”

    • Guus van Holland