Rotterdam en Duitse chemie eens over minder lozen in Rijn; Proces tegen Franse kalimijnen die niet mee willen werken

ROTTERDAM, 31 jan. - Het gemeentelijk havenbedrijf van Rotterdam verwacht begin maart een convenant te kunnen sluiten met de Duitse Vereniging van de Chemische Industrie (VCI) over vermindering van afvallozingen in de Rijn.

rote industrieen en een reeks kleine zouden via de vereniging bereid zijn zich bij de afvoer van chemicalien en zware metalen beperkingen op te leggen.

De drie behoren tot de tien zogenoemde 'grote lozers' langs de Rijn; dat wil zeggen dat zij elk voor ten minste een procent bijdragen aan de vervuiling van het Rijnwater, zoals dat bij Lobith ons land binnenkomt. Van die tien zijn er zes gevestigd in Duitsland, twee in Frankrijk en twee in Zwitserland. Namen wil het havenbedrijf niet noemen, op twee gevallen na: Sandoz in Bazel en de Franse kalimijnen in Mulhouse.

Het Zwitserse chemieconcern Sandoz is eind vorig jaar met Rotterdam overeengekomen dat het zijn lozingen van koper en chroom geleidelijk zal verminderen. Met de kalimijnen in de Elzas bleek geen akkoord mogelijk om de afvoer van metaalhoudend slib gereduceerd te krijgen. Daarom is tegen dat Franse staatsbedrijf bij de Rotterdamse rechtbank een civiele procedure aangespannen. Daarin wordt honderd miljoen gulden geeist ter vergoeding van de schade die Rotterdam volgens de aanklacht heeft geleden en nog te lijden krijgt.

Achtergrond van dit proces is het verlangen van Rotterdam naar schoner havenslib. Om haar havens op diepte te houden, laat de stad jaarlijks 23 miljoen kubieke meter slib wegbaggeren. Daarvan is een aanzienlijk deel, gemiddeld tien miljoen kuub per jaar, zo zwaar besmet, dat het niet in zee mag worden gestort, maar moet worden opgeslagen in een kunstmatig depot: de 'slufter' bij Oostvoorne, die 200 miljoen gulden heeft gekost en toereikend is tot het jaar 2002.

Het Rotterdamse gemeentebestuur kan en wil zich geen tweede slufter permitteren en begon daarom, niet tevreden met de uitkomsten van het internationale Rijnoverleg, eind 1984 een eigen actie om de lozingen langs de rivier tot staan te brengen. In eerste aanleg zou men daarover met de betrokken industrieen onderhandelen. Mochten die gesprekken op niets uitlopen of te weinig vrucht afwerpen, dan hield men een stok achter de deur in de vorm van civiele procedures voor de rechter om saneringsafspraken af te dwingen.

POR werd deze campagne genoemd, de afkorting van Project Onderzoek Rijn, tevens op te vatten als de por die industrieen in beweging moet zetten. De gemeenteraad heeft daar destijds elf miljoen gulden voor uitgetrokken. Dat bedrag is - op acht ton na - besteed, vooral aan onderzoek om erachter te komen welke bedrijven welke stoffen lozen. Daarbij gaat het allereerst om vijf zware metalen: cadmium, koper, zink, lood en chroom.

De actie bevindt zich nu in de derde fase, door projectleider ir. N. P. van den Berg van het havenbedrijf omschreven als “de periode waarin we met de industrie tot afspraken proberen te komen over vermindering van de lozingen”. Deze fase begon in 1989 en wordt medio dit jaar afgesloten. Van den Berg: “De gesprekken verlopen in het algemeen redelijk constructief, al staat men niet te juichen als we binnenkomen. In elk geval worden onze berekeningen over de geloosde stoffen en de hoeveelheden als juist aangemerkt.”

In 1987, toen de Rotterdamse campagne al ruimschoots aan de gang was, aanvaardden de gezamenlijke Rijnoverstaten het Rijnactieprogramma (RAP) tot versnelde sanering van de rivier. Toch gaat het volgens Van den Berg nog lang niet snel genoeg: “Het RAP schrijft voor dat de lozing van een aantalschadelijke stoffen in 1995 gehalveerd moet zijn ten opzichte van 1985. Maar of dat doel wordt gehaald, valt sterk te betwijfelen. Bovendien zijn er allerlei gevaarlijke stoffen die niet op de lijst voorkomen, bijvoorbeeld de beruchte PAK's, polycyclische aromatische koolwaterstoffen. En wat gebeurt er na 1995? Het plan voorziet in een verdere reductie, maar zonder jaartal te noemen. Voor ons geldt dat de lozing van schadelijke elementen in het jaar 2002, als de slufter vol is, met gemiddeld 80 procent verminderd moet zijn.”

Regelmatig is Van den Berg en zijn medewerkers in gesprekken met buitenlandse industrieen voorgehouden dat Nederland, in het bijzonder Rijnmond met zijn vele lozers, de hand ook in eigen boezem hoort te steken. Daar is hij het mee eens. Om de geloofwaardigheid van Nederland ten opzichte van Duitsland, Frankrijk en Zwitserland te vergroten, wordt - samen met Rijkswaterstaat - gewerkt aan een plan om de lozingen in Rijnmond, zoals Van den Berg het noemt, “structureler aan te pakken dan nu gebeurt”. Dit plan komt waarschijnlijk halverwege dit jaar in de openbaarheid.

Over het proces tegen de Franse kalimijnen zegt de projectleider: “Wij van het havenbedrijf voeren aan dat de lozingen van de kalimijnen zorgen voor extra slibafzetting in de Rotterdamse havens, berekend op 250.000 kubieke meter per jaar. Het kost ons jaarlijks 2 a 2, 5 miljoen gulden om die zaak op te ruimen. De honderd miljoen schadevergoeding die we eisen, is daarop gebaseerd. We rekenen dertig jaar terug in de tijd, want dat is verjaringstermijn als het om aansprakelijkheid voor milieuvervuiling gaat, en doen er nog ruim een decennium bij. De mijnen hebben immers aangekondigd dat ze in 2004 gaan sluiten.”

Volgens Van den Berg heeft het Franse concern overwogen een deel van de schade te vergoeden. “Maar dat bedrag was zo laag, dat daarmee zelfs de basis voor verdere onderhandelingen was weggevallen.”

De kalimijnen hebben inmiddels al een proces van soortgelijke strekking verloren: dat van drie Westlandse tuinders, die zich gedupeerd voelden door de massale zoutlozingen in de Elzas. De zaak werd uitgevochten tot de Hoge Raad, die de lozingen veroordeelde als onrechtmnatige daad jegens de kwekers. Op grond daarvan moest het Franse bedrijf de kwekers schadeloos stellen. Kort nadat die uitspraak was gevallen (september 1988) bleek dat partijen een schikking hadden getroffen. In ruil voor 3, 75 miljoen gulden zagen de kwekers en hun organisaties af van verdere financiele aanspraken.

    • F. G. de Ruiter