Ritsaert ten Cate gaat toch door: Mickery verdwijnt maar kasplantjes moeten gesteund

AMSTERDAM, 31 jan. - “Van harte en behoorlijk opgewekt” heeft Stichting Mickery Workshop vorige week aangekondigd zichzelf aan het eind van dit seizoen op te heffen.

Het legendarische impresariaat dat 25 jaar lang internationale avant garde naar Nederland heeft gehaald, verdwijnt. “Waarom ook niet?” vragen de opstellers van de rondzendbrief zich min of meer retorisch af. Er kan volgens hen “met eer een punt” achter Mickerey gezet worden. En, enigszins bijbels, voegen zij daar aan toe, dat “de taak is volbracht”.

Ritsaert ten Cate, oprichter en gedurende de kwart eeuw van het bestaan directeur van Mickery, geeft toe, dat de motivering van de opheffing wat vaag klinkt. Er is dan ook niet slechts een reden aan te wijzen, het ligt veel complexer. De tijdgeest, de houding van politiek, de almaar hogere produktiekosten en de marktgerichte mentaliteit die ook in de kunsten terrein heeft gewonnen, zijn allemaal factoren die eraan hebben bijgedragen, dat hij zijn bestuur geadviseerd heeft Mickery op te heffen. Want hij heeft het zelf gewild, ja, hij zag geen andere oplossing meer.

“Wat ik belangrijk vind en altijd belangrijk heb gevonden, is niet zozeer het eenmalige resultaat, de voorstelling, als wel de ontwikkeling die een theatergroep doormaakt. Ik wil van een in principe interessante groep drie, vier jaar achter elkaar werk kunnen tonen, al is dan misschien niet al dat werk even geslaagd. Mijn ideaal is bijvoorbeeld de Woostergroup geld te sturen, zonder hen te verplichten in ruil daarvoor hier een voorstelling te komen laten zien. Dat is een luxueus standpunt, ik besef dat al te goed, maar het is het enige juiste uitgangspunt. Je kweekt en stimuleert - om pas later eventueel te oogsten.

“De nieuwe voorstelling van de Woostergroup, Brace up, wordt met Europees geld gemaakt. Er zijn in totaal zes Europese geldschieters, waaronder wij. Zo'n financiele bijdrage stelt je onmiddellijk voor een dilemma. Je geeft het geld opdat het gezelschap kan functioneren in zijn eigen theater, de Performing Garage in New York. Dat is de essentie van hun werk, waarvoor ik kies. Maar anderzijds eisen nu maar liefst zes Europese theaters een voorstelling, die voor iedere lokatie weer aangepast moet worden. Dat wrikt.”

Enkele jaren geleden verliet Ten Cate het eigen Mickery-theater aan de Rozengracht in Amsterdam. Het Mickery-programma was voortaan te zien in wisselende theaters, in Rotterdam en in Amsterdam. Door op de huur te bezuinigen hield hij meer produktiegeld over, maar zijn beslissing was tevens bedoeld als een signaal voor de politiek. Hij zegt nu zich verkeken te hebben op de gevolgen van “de onzichtbaarheid” van Mickery. Hoewel de programmering niet onderdeed voor die in het eigen theater, ontstond de indruk, dat Mickery een stille dood was gestorven.

“Louter psychologie”, zegt Ten Cate: “maar niettemin een indruk die ons parten speelde. Temeer daar men het geduld niet meer heeft om artistieke ontwikkelingen te volgen. Er moet meteen gescoord worden, men wil de ene kick na de andere. De politiek in Amsterdam, die toch zegt zo trots te zijn op het culturele klimaat in de stad, geeft de toon aan. Ze zijn geinteresseerd in het culturele toerisme, voor de kunsten zelf geven ze letterlijk en figuurlijk geen cent. Zo'n Etty, de oud-wethouder van financien, vroeg dan aan ons hoe hij het verkopen moest om de kunsten relatief te sparen ten koste van de bejaardenhuizen. Die vraag moet hij zichzelf stellen, daarvoor zit hij op die plek. Wij zijn er niet om beleid te verdedigen, en zelfs niet om de kunst te verdedigen. Onze taak is de kunst een kans te geven.”

Die kans zag Ten Cate uiteindelijk in een grootschaliger opzet, op het Leidseplein in Amsterdam, naar het idee van het L. A.-Festival, dat de Amerikaanse theatermaker Peter Sellars in Los Angeles organiseerde. Hij pleitte ervoor de artistieke en financiele potentie van Toneelgroep Amsterdam, de Stadsschouwburg, van het Holland Festival, de Melkweg en van Mickery te bundelen en een soort supermarkt voor de kunsten op te richten, waar permanent van alles gaande en broeiende was en waar de opwinding weer zou heersen. Het plan bleek niet haalbaar.

“WVC was enthousiast, maar durfde het niet aan. Ze zijn al blij, dat het nu zo'n beetje geregeld is op het Leidseplein. En als ik het het Holland Festival wel eens attent maakte op een voorstelling, vroeg men nogal agressief waar ik me eigenlijk mee bemoeide. Het eigen winkeltje is als het er op aankomt toch belangrijker. Touch Time, het afscheidsprogramma dat we in mei op en rond het Leidseplein uitbrengen, is evenwel gebaseerd op die concentratiegedachte. We hopen er mee aan te tonen, dat het idee goed is. En verder blijf ik, ook na de opheffing, zoeken naar manieren om kasplantjes tot wasdom te brengen. Dat is noodzaak, geen luxe.”

    • Pieter Kottman