Philip Lieberman over de evolutie en het ontstaan van de oertaal; 'Ik denk dat taal zoals we die nu kennen zo'n 100.000 jaar bestaat'

Uit de oerknal ontstond het heelal, uit de oersoep het eerste leven en uit de oermens zijn wij voortgekomen.

Nu moeten we ons voor kennis over die zaken weliswaar altijd behelpen met aanvechtbare theorieen, maar het lijkt er toch veel op dat er over die oerknal en die oersoep meer bekend is dan over de oermens. Het beeld dat we van onze voorouders hebben is niet veel meer dan een vage romantische voorstelling van een groepje hurkende holbewoners gehuld in berevellen, bezig een vuurtje te stoken of een vuistbijl te maken.

Een cruciale, vooralsnog onbeantwoorde vraag is: werden er bij het houtvuur en tijdens het schoonschrapen van dierehuiden al verhalen verteld? Of werd er alleen met kreten en klanken of misschien losse woorden gecommuniceerd? Sinds wanneer kent de mens 'taal' zoals wij die kennen? Vanaf welk moment kun je, anders gezegd, met recht spreken van 'mensen'?

Ergens in de prehistorie moet het antwoord liggen. De belangrijkste stap in de evolutie van de mens is zonder enige twijfel het ontstaan van taal geweest. Maar wanneer is die stap gezet? En was het een grote sprong voorwaarts, of ging het stukje bij beetje?

Over die vraag kun je lang fantaseren en filosoferen, interessanter is het na te denken over geschikte fundamenten om een theorie op te bouwen. Prof. Philip Lieberman, hoogleraar taalkunde en cognitieve wetenschappen aan de Brown universiteit in Amerika, heeft in ieder geval een paar invalshoeken gevonden. Onlangs was hij een weekje te gast op het Max Planck Instituut voor Psycholinguistiek in Nijmegen. Tijdens een reeks gastcolleges en workshops toonde Lieberman (56) zich een onvermoeibare spreker. Hij schijnt al die dagen zelfs nauwelijks iets gegeten te hebben, omdat hij ook aan tafel aan een stuk door praatte. Een interview geeft hij dus met graagte weg.

De uitgangspunten in zijn betoog klinken plausibel. Als er dan geen directe manier bestaat om het ontstaan van taal te onderzoeken, dan kun je volgens hem twee dingen doen: kijken naar de diersoort die genetisch het meest aan ons verwant is, en kijken naar wat er op valt te maken uit het handjevol schedels, botten en andere overblijfselen van onze voorouders.

Ons DNA lijkt het meest op dat van chimpansees, en die beschikken ook over bepaalde aspecten van taal. Lieberman: “ Chimpansees hebben het vermogen om op beperkte schaal woorden te leren. Dat weten we van experimenten met gebarentaal en symbolen. Het kost heel veel tijd en moeite, en ze komen nooit verder dan het niveau van een kind van ongeveer tweeeneenhalf jaar, maar ze kunnen het toch maar. Maar wat chimpansees beslist niet hebben zijn twee dingen: spraak en syntaxis. Daar zit dus het grote verschil. Ook al kunnen ze misschien een paar honderd woorden leren, ze kunnen die onmogelijk uitspreken en ze blijken ook niet in staat er zinnen mee te bouwen. Ze hebben geen controle over hun stem, zijn niet in staat op vrijwillige basis nieuwe signalen te vormen, bijvoorbeeld een nieuwe roep te bedenken voor een nieuw dier.”

“Chimpansees hebben ook een tong en keel die het hun onmogelijk maakt bepaalde klanken te vormen die wel in menselijke spraak zitten. Wij kunnen door de vorm van het bovenste deel van onze luchtweg te veranderen, de klanken die onze stembanden maken aanpassen. Je kunt dat vergelijken met gebrandschilderde ramen: afhankelijk van hoe het licht erdoor valt, veranderen de kleuren. Neem de i en de oe bijvoorbeeld, die maakt ons strottehoofd niet, maar die maken we als het ware zelf door de stand van onze mond en keel te veranderen. Chimpansees kunnen die klanken onmogelijk maken, want ze zijn fysiek niet in staat het geluid dat uit hun keel komt aan te passen, te vervormen. Het enige dat ze kunnen is de toonhoogte veranderen. Bovendien kunnen ze alleen maar nasale klanken voortbrengen, en u weet hoe lastig het is om mensen die door hun neus praten te verstaan. Je neus kunnen afsluiten terwijl je praat blijkt ook nodig te zijn om snelheid te bereiken bij het spreken, en snelheid is een cruciaal onderdeel van taal.”

U bent van huis uit foneticus en u legt dan ook erg de nadruk op de bouw van onze spraakorganen. Maar hoe essentieel voor taal is ons vermogen om veel verschillende klanken heel snel voort te brengen? De gebarentalen van doven zijn gewone talen waarin je zonder geluid alles even snel kunt 'zeggen' als in gesproken talen.

“Ja, ik denk toch dat er bij gebarentalen gebruik wordt gemaakt van mechanismen in de hersenen die zich in eerste instantie ontwikkeld hebben voor spraak. Gebarentaal gaat namelijk tegen de evolutionaire trend in. We weten dat de eerste mensachtigen, de hominiden, zo'n viereneenhalf miljoen jaar geleden rechtop gingen lopen. Daar zaten voordelen aan: rechtop lopen maakt je handen vrij, geeft je de kans dingen op de pakken, te vervoeren, te manipuleren. Gebarentaal zou een stap terug zijn, want met gebarentaal heb je je handen weer vol. Bovendien is het een korte-afstand-systeem: er is oogcontact voor nodig, en licht.”

“En juist omdat er ook nadelen zitten aan die rare spraakorganen van ons ligt het voor de hand aan te nemen dat ze ook werkelijk voor spraak gebruikt werden. Kijk, het blijft allemaal speculatie, maar Darwin was indertijd de eerste die zich afvroeg waarom van alle diersoorten alleen onze keel en mond zo in elkaar zitten, dat je het risico loopt te stikken in je eten. In vergelijking tot onze voorouders zijn onze tong en ons strottehoofd helemaal naar beneden in de keel geduwd, en het gehemelte is ook naar achteren gegaan. Daardoor kunnen we onze neus afsluiten en niet-nasale klanken maken, maar lopen we ook grote kans ons te verslikken. En onze onderkaak is zo klein geworden dat er bij veel mensen eigenlijk geen plaats is voor al hun kiezen. Voordat er tandartsen waren, kon je daar door infecties en dergelijke heel gemakkelijk aan dood gaan. Dat kan geen 'selectie-voordeel' hebben opgeleverd als niet tegelijkertijd ook het vermogen ontstond om uit eigen vrije wil die spraakklanken te maken. Maar daarvoor heb je ook de hersens nodig. Het is veel lastiger om daar op basis van opgegraven schedels iets van te zeggen: de hersenen hebben hooguit een afdruk aan de binnenkant achtergelaten.”

Hoe denkt u dan dat dat gegaan is? Waar komt die taal vandaan? Of waar zit die in de hersenen?

“Dan moeten we het nog even over Darwin hebben. Mensen denken vaak dat dat een domkop was, die de evolutie voorstelde als een reeks hele kleine stapjes. Maar dat is niet waar, om grote veranderingen te verklaren voerde hij het begrip 'pre-adaptatie', 'voor-aanpassing' in. Organen of structuren die in eerste instantie een bepaalde functie hadden, blijken soms toevallig ook bruikbaar voor iets anders. Dat verklaart bijvoorbeeld hoe longen zich ontwikkeld hebben: die stammen af van de zwemblaas, het orgaan dat vissen laat drijven. Die zwemblazen worden nu gebruikt om mee te ademen, ook al hebben ze zich natuurlijk aan de nieuwe omstandigheden aangepast. Wij kunnen niet meer gewoon in de zee springen en dan met onze monden open onder water zwemmen.”

“Als het over taal gaat zijn de begrippen 'onder controle hebben' en 'vrijwilligheid' belangrijk. Die kom je ook tegen bij het gebruik van gereedschap (er is niet zoiets als een 'bijl-instinct' of een 'bijldrift' ofzo) en het maken van heel precieze handbewegingen. Gereedschappen worden al miljarden jaren ingezet, en je vindt voor ingewikkelde manipulaties ook al heel lang een voorkeurshand, meestal de rechter. Ik denk dat de mechanismen daarvoor zich hebben uitgebreid tot de controle over spraak. Als je nu naar de bouw van het menselijk brein kijkt dan zie je dat het gedeelte waar de controle over tong en lippen geregeld wordt, vlakbij de fijne motoriek voor de hand zit en vlak bij het zogenaamde gebied van Broca waarvan we weten dat het belangrijk voor taal is. Ik denk dat er toevallig projecties van het ene gebied in de hersenen naar het andere hebben plaatsgevonden. Want het is natuurlijk allemaal toevallig: de evolutie werkt niet naar een bepaald doel toe.”

“En die geschiedenis verklaart ook waarom hersenbloedingen vaak zowel problemen met spraak als met de motoriek van de dominante hand geven: dat zit allemaal bij elkaar in de buurt, en misschien maakt het deel uit van hetzelfde mechanisme. Dat weten we niet. Waarschijnlijk werden in een later stadium de grammaticale algoritmes of programma's uitgewerkt die de spraakproduktie mogelijk maken. Vooral de afgelopen tien jaar is duidelijk geworden hoe ongelooflijk complex die algoritmes moeten zijn. Een normaal kind heeft tien tot twaalf jaar nodig om de precisie te bereiken die een volwassene in zijn spraak heeft. Ik denk ook dat kinderen kinderlijk klinken en je onmiddellijk hoort 'dat kind is een kind' omdat ze nog fouten maken. Syntaxis en misschien logica ook, hebben op de een of andere manier te maken met dat vermogen heel gedetailleerde formele operaties te verrichten. Bij spraak kun je ook mooi zien hoe goed we kunnen plannen, anticiperen op wat er volgt. Ga maar eens voor de spiegel staan en zeg eerst 'die' en dan 'doe': de stand van de mond is totaal verschillend, terwijl de eerste klank toch dezelfde is. Dat komt doordat we vooruitlopen op de klinker die volgt.”

“Zelf denk ik dat we niet zoiets als een apart taalorgaan hebben, een doosje in je hoofd dat zich alleen met taal bezighoudt. Je kunt de evolutionaire geschiedenis terugzien in de hersenen, en dat betekent dat er voortgebouwd wordt op het verleden. Daarvoor zijn in de neurofysiologische gegevens die komen uit het onderzoek naar afasie en ook naar de ziekte van Parkinson, interessante aanwijzingen te vinden. Het blijkt dat je afwijkingen in het taalgebruik, bijvoorbeeld in de timing bij het spreken, kunt hebben zonder dat er beschadigingen zijn in de nieuwere gedeelten van de hersenen (de prefrontale cortex, die bij mensen echt gigantisch is vergeleken met andere dieren, en die algemeen beschouwd wordt als onze 'denktank'). Een 'taalorgaan' zou je in dat evolutionair jongste gedeelte verwachten, maar naar het zich laat aanzien zijn ook de verbindingen tussen de jonge en de oudste, onderste delen van ons brein (die in beginsel dateren uit de tijd van de reptielen) onmisbaar. Wanneer bijvoorbeeld door een laesie die weggetjes worden afgesneden ontstaan er problemen. Onderdelen van de hersenen hebben zich aangepast, nieuwe functies gekregen, zijn ten dele gescheiden geraakt van andere circuits en alles bij elkaar levert dat een bijzonder complexe mix op.”

Maar vanaf wanneer hebben we dan echt taal tot onze beschikking volgens u?

“Taal heeft een lange historie. De geschikte anatomie is zo'n 200.000 jaar geleden ontstaan, maar ik denk niet dat er toen in een klap taal was. Onze voorouders hadden maar een deelverzameling van de huidige mogelijkheden tot hun beschikking. Zoals je bij de chimpansees eigenlijk ook kunt zien, maar ze konden meer. Bijvoorbeeld ie- en oe-klanken maken, iets dat tussen twee haakjes nuttig blijkt te zijn bij het inschatten hoe groot degene tegen wie we praten is. Dat gaat onbewust, maar daar gebruiken we die klanken voor. Ik denk dat taal zoals we die nu kennen zo'n 100.000 jaar bestaat. De eerste rituele begrafenissen vonden toen plaats, en ik kan me dat niet voorstellen zonder taal.”

“Het blijft alweer allemaal nogal speculatief. Precieze dateringen zijn lastig, en ook het interpreteren van een hoopje botten is moeilijk. We zouden meer materiaal moeten hebben, maar er zijn onder andere in het huidige Israel overblijfselen gevonden van mensen die een dierenkop in hun handen geplaatst hadden gekregen. En die opgravingen lijken weer aan te sluiten bij de recente 'Eva-theorie' die op genetisch onderzoek gebaseerd is en die stelt dat we allemaal afstammelingen zijn van een vrouw die 100.000 jaar geleden in Afrika leefde. Van daaruit zijn we over de hele wereld uitgestroomd, waarbij we andere populaties van de kaart geveegd hebben. Het zou best zo kunnen zijn dat onze voorouders de Neanderthaler uitgeroeid hebben. Als ik zeg dat taal 100.000 jaar oud is krijg ik altijd te horen: hoe kan dat nou. De Neanderthaler is pas 35.000 jaar geleden uitgestorven. Mijn antwoord is dan: dat kan best, dat zijn gescheiden ontwikkelingen geweest. De Neanderthaler was anders, die had bijvoorbeeld sterke kauwspieren, maar misschien kon hij ook wel woorden gebruiken, die hij dan alleen langzaam uit kon spreken. Het gaat om graduele verschillen, maar onze ontwikkeling heeft het in ieder geval gewonnen.”

Als die Eva-theorie waar is, dan betekent dat ook dat alle talen van een taal afstammen.

“Ja, er bestaat dus nu de hypothese dat er een oertaal is. Die kun je proberen te traceren. Dit voorjaar hebben we op de Brown universiteit een symposium over genetica en taalkunde. Of die samen echt de vragen kunnen beantwoorden? Kijk, oude opnames zullen we nooit vinden. We moeten op dit moment vooral meer te weten komen over de werking van de hersenen, en we moeten meer fossielen vinden. Maar de komende tien jaar zullen heel interessant zijn.”

Van Philip Lieberman verschijnt binnenkort bij de Harvard University Press het boek 'Uniquely human, the evolution of speech, thought en selfless behavior.'