Nikkellegeringen in de mond zijn toch veilig

In 1989 werden bij ziekenfondsverzekerden ruim 310.000 metalen vullingen geplaatst. Verder schat men dat er jaarlijks in ons land ongeveer 800.000 kronen en bruggen en enige duizenden metalen protheses worden aangebracht.

Voor velen lijkt het dan ook vanzelfsprekend dat metalen voor het lichaam en de gezondheid geen schadelijke gevolgen opleveren. Toch is er een zekere onrust te bespeuren over het gebruik ervan. Mogelijk omdat de huidige Nederlander milieubewuster gaat worden en regelmatig, via massamedia, informatie krijgt over de gevaren van zware metalen voor het menselijk organisme. Of omdat het stijgend aantal alternatieve genezers krachtig fulmineert tegen het gebruik van metalen in het lichaam - overigens zonder aan te geven of er bruikbare alternatieven bestaan.

Vaststaat dat tandheelkundige materialen biocompatibel moeten zijn. Dat wil zeggen dat bij gebruik geen ongewenste giftige, allergische of andere reacties mogen optreden die gevaar voor de gezondheid opleveren. De afgelopen jaren is er nogal wat belangstelling geweest voor onderzoek naar corrosie (roesten of verweren) van metalen legeringen in de mond.

NIKKELCHROOMLEGERINGEN

De mond heeft een vochtig milieu waar gemakkelijk door chemische aantastingen, verval van materiaal kan optreden en metaaldeeltjes (metaalionen) door het lichaam kunnen worden opgenomen. Men denkt dan vooral aan het vrijkomen van nikkel uit tandheelkundige legeringen waardoor allergieen kunnen optreden. Acht procent van de bevolking blijkt allergisch voor dit metaal te zijn.

Ook lokaal in de mond worden gevolgen van corrosie van toegepaste metaallegeringen genoemd, zoals de verzwakking van vullingen waardoor breuken kunnen ontstaan, tandvleesontstekingen, tandbederf naast vullingen, slijmvliesafwijkingen aan de binnenkant van wangen en op de tong en voorts wordt een hinderlijke metalen smaak in de mond nog wel eens genoemd.

In het Nederlandse onderzoek op het gebied van corrosieverschijnselen in de mond uit de afgelopen jaren zijn drie richtingen te onderscheiden. Het betreft voornamelijk onderzoek naar de corrosie van nikkelchroomlegeringen. Dit zijn zeer sterke onedele metalen die omstreeks 1967 in de tandheelkunde werden geintroduceerd als alternatief voor de dure goudlegeringen, de edelmetalen die veel in de mond worden gebruikt en waarvan bekend is dat deze weinig neiging tot corroderen vertonen. Die nikkelchroomlegeringen zijn goedkoop, maar in zekere mate controversieel om hun toxische en allergische eigenschappen die vooral buiten de mond zijn geconstateerd.

In een promotie-onderzoek heeft een op het Academisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam (ACTA) werkende tandarts, Van Loon, bij vrijwilligers nagegaan of de, thans in ons land gebruikte tandheelkundige nikkellegeringen daadwerkelijk lokaal in de mond allergische reacties teweegbrachten. Dit bleek niet het geval te zijn. Zelfs niet in die gevallen waarbij de proefpersonen voor normaal contact met nikkel hevig overgevoelig bleken te zijn. Wel bleek er sprake van enige corrosie in de monden van de vrijwilligers.

In een vrijwel gelijktijdig verlopend onderzoek van een andere tandarts, Vreeburg, die de effecten van vrijkomend nikkel uit tandheelkundige legeringen bij proefdieren bestudeerde bleek verrassend, dat deze beesten zelfs bij langdurige opname van hoge concentraties nikkel een immuniteit tegen nikkelallergie opbouwden. Voorzichtig kan men stellen dat de moderne nikkellegeringen die thans in de tandheelkunde worden gebruikt veilig lijken te zijn.

Uit het onderzoek van Van Loon bleek echter toch dat er sprake was van corrosie van diverse legeringen in de mond. Daarom is het van belang om vast te stellen hoe groot die corrosie van de gebruikelijke legeringen onder mondomstandigheden is ten einde de schadelijke van de niet-schadelijke te kunnen onderscheiden.

Merkwaardig is het nu dat - hoewel tandheelkundige legeringen op tal van eigenschappen aan strenge normen worden onderworpen - er ook internationaal geen eensgezindheid bestaat hoe corrosie in de mond moet worden gemeten. Ook ontbreken specificaties en zijn criteria onbekend om vast te stellen of bepaalde tandheelkundige legeringen al dan niet biocompatibel zijn.

De Amsterdamse fysicus Muller heeft getracht het corrosieproces, zoals zich dat in de mond voordoet, te simuleren in een opstelling waarin kunstspeeksel als medium fungeerde. Met behulp van een, door hem ontwikkelde, testbatterij stelde hij in zijn promotie-onderzoek vast dat zelfs in de meest extreem nagebootste mondcondities de huidige in de handel zijnde nikkelchroomlegeringen wel nikkelionen vrijgeven, maar in concentraties die ver onder de waarde liggen zoals die door Van Loon als kritisch worden aangemerkt.

KLEINE PUTJES

Een derde type corrosie-onderzoek richt zich op de fabricage van materiaal dat zodanig is samengesteld dat de kans op corrosie zo gering mogelijk wordt. De achtergrondgedachte is als volgt.

Tijdens het corroderen worden er aan het metaal elektronen onttrokken en kan het metaal zelf ook in oplossing gaan. Dat proces wordt bevorderd naarmate op het oppervlak van het materiaal meer microscopisch kleine putjes aanwezig zijn. Dat is de reden dat zelfs edelmetaallegeringen in de mond kunnen corroderen.

In twee andere promotie-onderzoeken van ir. Van Zel, werkzaam in de industrie en een tandarts Mezger, werkend op de Universiteit van Nijmegen, zijn methoden beschreven om het edelmetaal palladium zodanig te fabriceren dat het in grote mate corrosiebestendig is geworden en bovendien door tandtechniekers goed is te bewerken. Palladium wordt de laatste jaren steeds meer in de tandheelkunde gebruikt omdat het, vergeleken met de goudlegeringen, veel goedkoper en lichter is.

Van Zel is er op ingenieuze wijze in geslaagd verschillende palladiumlegeringen te ontwikkelen die door Mezger zowel in het laboratorium als in de mond op hun corrosieve eigenschappen zijn getoetst. En vastgesteld kan worden dat er nu een zeer betaalbaar, veilig edelmetaal is ontwikkeld dat de vergelijking met de in de mond gebruikte goudlegeringen gemakkelijk kan doorstaan.

    • M. A. J. Eijkman
    • Met Dank aan Prof.Dr. C. L. Davidson