Moreel debat

NRC Handelsbladredacteur Mark Kranenburg schreef op 26 januari dat het Nederlandse parlement nooit een 'moreel debat' heeft gehouden over de Golfoorlog en dat Nederland stilzwijgend in deze oorlog is gestapt.

Kranenburg heeft dan enkele feiten over het hoofd gezien.

Op 13 augustus 1990 plaatste de regering de concrete Nederlandse bijdrage aan de internationale militaire presentie in de Golfoorlog in het kader van de noodzaak van herstel van de internationale rechtsorde. Ook werd deze militaire bijdrage gerechtvaardigd in het licht van het vitale belang dat Europa heeft bij stabiliteit en bij integriteit van de landen in de Golfregio.

De verantwoordelijkheid daarvoor mag Nederland niet aan andere landen overlaten. Dat was van het begin het antwoord op het 'waarom' van onze deelname. Ook de instemming van de VVD-fractie met het zenden van twee Nederlandse fregatten kwam van 13 augustus af voort uit de noodzaak de Iraakse agressie een halt toe te roepen. “Saddam Hussein heeft de internationale rechtsorde volledig aan zijn dictatoriale laars gelapt”, zei mijn fractiegenoot Blaauw op 4 september 1990 in het eerste plenaire kamerdebat over de Golfcrisis.

Op 8 oktober 1990 onderschreef ik in een commissievergadering de uitspraken van minister Van den Broek over de noodzaak van eventuele aanvullende (militaire) acties in het kader van de Verenigde Naties om herstel van de vrede en de internationale rechtsorde af te dwingen. Ruim drie maanden geleden werd dus de ogenschijnlijke paradox van een oorlog om de vrede op langere termijn al niet uitgesloten.

Is dat stilzwijgend en zonder morele afweging? Vervolgens constateerde ik in een commissievergadering op 22 november 1990 dat sinds de inval van Irak in Koeweit de situatie er slechter op was geworden, gelet op o.a. het gruwelijke optreden van Irak in Koeweit. Ik verbond daaraan de conclusie dat de druk op Irak moest worden opgevoerd en dat het openen van de mogelijkheid van het gebruik van geweld via een resolutie van de Veiligheidsraad nog de enige weg was die openstond.

Sinds 29 november 1990 lag de resolutie van de Veiligheidsraad er, waarmee na 15 januari het gebruik van geweld niet werd uitgesloten, teneinde de internationale vrede en veiligheid te herstellen. De Nederlandse regering en de meeste kamerfracties steunden expliciet die resolutie 678. Dat was dus een bewuste stellingname, die tevens inhield dat tot 15 januari maximale diplomatieke en economische druk op Irak moest worden uitgeoefend door een eensgezinde wereld.

    • Tweede Kamer
    • F. Weisglas