L. Sipkes-van Zijl; Ik boks niet tegen personen, maar tegen ideeen

Sinds de verkiezingen van september 1989 telt de Tweede Kamer 32 nieuwkomers. Sommigen kenden het Binnenhof van zeer nabij, anderen slechts van verre. Wat waren hun ambities en wat werden hun frustraties. Vandaag drs. Leoni Sipkes-Van Zijl (41) van Groen Links, afkomstig uit de PSP. Op 8 november vorig jaar volgde zij Andree van Es op. Zij studeerde politicologie aan de universiteit van Nijmegen, waar zij zich op haar dertigste, met slechts een mulo-diploma, via een colloquium doctum toegang had verworven.

APELDOORN, 31 jan. - Het opvallendst aan het nog geen drie maanden durende Kamerlidmaatschap van Leoni Sipkes is dat het vanaf de eerste dag leek alsof ze er al jaren zat. Niets angstig in het bankje wegkruipen, niets opkijken naar de hoogstaande gebeurtenissen in 's lands vergaderzaal. Sipkes gedroeg zich onmiddellijk als iemand die de zaak in de hand had. “Ik heb daar wel meer opmerkingen over gekregen. Ik denk dat het komt doordat autoriteit mij geen angst inboezemt; ik ben niet gezagsgetrouw.”

Met haar 21-jarig huwelijk, haar drie kinderen en haar jarenlang opereren als vredesactiviste bij haar taken als huisvrouw en moeder is Leoni Sipkes niettemin een steunpilaar van de Nederlandse maatschappij. Geplaagd door bange vragen toen tijdens haar eerste zwangerschap het rapport van de Club van Rome over de grenzen aan de groei uitkwam, koos ze echter voor verzet tegen het conformisme, tegen wat ze noemt “het eeuwig proces dat steeds weer tot oorlogen leidt en tot het armer worden van de armen.”

Thuis in Apeldoorn praat ze ontspannen over haar Kamerwerk en de lange weg die haar naar het Binnenhof bracht. Over het eerste deel van haar leven in haar geboorteplaats Voorburg in een gereformeerd gezin met een werkende moeder weet ze niet zo veel boeiends te vertellen. Ze brak haar MMS-opleiding af ( “Laten we maar zeggen dat ik wat recalcitrant was” ), ging naar de mulo, bracht een jaartje bij familie in Engeland door, werd doktersassistente. Op haar 21ste trouwde zij met Rien Sipkes, student metaalfysica in Delft. Zij hebben drie kinderen, twee dochters (nu 19 en 17) en een zoon (14).

Wat schamper praat ze over de tijd bij het Delftse studentencorps, waar ze zich nog druk maakte over de lengte van handschoenen bij de avondjapon. De vervreemding van het corpsmilieu begon al tijdens de studie van haar man. “Door onze manier van praten over vrede en oorlog werden we daar tenslotte als halve communisten beschouwd.” Haar vriendenkring, zegt ze, onderging dan ook een radicale wijziging.

“De vredesbeweging, dat werd m'n beroep: acties voeren, vrouwengroepen, demonstraties. Bovendien gaf ik zelf trainingen in geweldloze actie.” Ze kwam bij het IKV terecht, bij Kerk en Vrede en bij Vrouwen tegen Kernwapens. Binnen het IKV viel ze waarschijnlijk snel op, doordat ze al reeksen SIPRI-rapporten en publikaties van de vredesvorsers Johan Galtung en Dieter Senghaas had gelezen. “Ik werd al snel plaatselijk contactpersoon, organiseerde vredesdemonstraties en leerde mensen als Faber, Ter Veer en Sienie Strikwerda kennen.” In 1978 dreven het SALT-verdrag en de neutronenbom haar tevens naar het lidmaatschap van de PSP.

Na haar late studie was ze eerst een jaartje werkloos activiste, vervolgens coordinatrice van de Nederlandse Vereniging voor Nieuw Internationaal Ontwikkelingsbeleid, daarna bureauhoofd bij het Studiecentrum voor Vredesvraagstukken aan de KU Nijmegen. Toen kwam Groen Links. Tijdens een gezamenlijk ontbijt vroeg Ina Brouwer van de CPN of een plaatsje op de Kamerlijst haar niet zou bevallen. “Ach, dacht ik, het kan nooit schaden om in de werkgroep buitenland van de partij terecht te kunnen komen.” Doordat blijkbaar veel mensen haar naam kenden, stond ze ineens hoog op de lijst. “Bovendien werd ik door zes vrouwen van het PSP-Vrouwenoverleg in een soort kruisverhoor in de mangel genomen; na een kort beraad deelden ze vervolgens mee dat ze zich op het congres voor me zouden inzetten.” Ze eindigde op plaats 3, tiende op de gezamenlijke lijst van Groen Links.”

Langzaam ging ze daarna “de unieke kans” zien “om van actievoerster, via studie en werken op het gebied van de vrede, in het orgaan terecht te komen waar je mee besluiten kon nemen.” “Het leuke aan het Kamerwerk zit in het feit dat je ongelooflijk wordt aangespoord tot constant nadenken. Je moet een vreselijk beroep op jezelf doen. Het is snel, afwisselend, het stimuleert me echt.” Daar tegenover staat het gevoel van machteloosheid, “de confrontatie met macht en met de onwil dingen te veranderen”.

Het respect voor elkaars meningen dat men in haar opvatting in de Kamer heeft, bevalt haar. “De politieke verschillen moeten goed tot uitdrukking komen, maar als de vergadering voorbij is, moet je normaal met elkaar omgaan. Ik boks niet tegen personen, maar tegen ideeen.” “Als ik het nut van het werk niet zou zien, zou ik niet in democratie geloven. Maar ik weet wel: ik zit nu even in de Kamer, straks ben ik weer op andere wijze bezig voor een werkelijke vredespolitiek. Ik zal niet klagen, want ik kan al mijn gevoelens uiten en nu ik in de Tweede Kamer zit, lijkt het alsof iedereen ineens naar me luistert.”

    • Rob Meines