Hof eist hogere straf tegen Rotterdamse gokbaas

DEN HAAG, 31 jan. - De procureur-generaal bij het gerechtshof in Den Haag mr. J. C. M. Couzijn heeft gisteren twee jaar gevangenisstraf geeist tegen de voormalige Rotterdamse gokbaas G. van D. (46).

De eis is het dubbele van de straf die de Rotterdamse rechtbank in mei 1989 oplegde. Raadsman mr. P. Doedens wees op vergelijkbare zaken, waarin straffen werden opgelegd van enkele dagen gevangenis.

Voor het financiele gedeelte van de eis volgde mr. J. Couzijn het vonnis van de rechtbank, een miljoen gulden boete en verbeurdverklaring van geld en goederen die in beslag zijn genomen, onder meer 400.000 gulden van een Zwitserse bankrekening van de verdachte.

Van D. wordt verweten dat hij van oktober 1984 tot eind september 1986 de Wet op de kansspelen heeft overtreden als oprichter, leider en (mede)financier van illegale gokbedrijven als het casino Mata Hari en de stadslotto, beide in Rotterdam. Daarnaast zou hij betrokken zijn geweest bij de vervalsing van een notariele akte en van premie- en belastingaangiften.

In juridisch opzicht kon Couzijn zich wel vinden in het vonnis van de rechtbank. Toch eiste zij een hogere straf tegen de 'misdaadondernemer', omdat hij 'structureel langere tijd de wet aan zijn laars lapte' en zich ook schuldig had gemaakt aan omkoping van een politieman.

Van D. bestreed dat laatste gisteren met grote stelligheid: “Ik heb nog nooit iemand omgekocht.” In maart vorig jaar werd een brigadier van de Rotterdamse politie aangehouden die Van D. zou hebben getipt voor een inval van de politie in september 1986 in het gokhuis Mata Hari. Die zaak is nog in onderzoek.

Van D. heeft zijn illegale activiteiten in de gokwereld, die ettelijke miljoenen opleverden, nooit ontkend. Hij meende echter aanspraak te kunnen maken op een gedoogbeleid van de overheid, omdat zijn gokpand Mata Hari twee jaar lang ongemoeid werd gelaten. Als er al verwachtingen zouden zijn gewekt door de gemeente of politie, zijn die volgens Couzijn niet gerechtvaardigd.

Volgens oud-politiecommissaris J. Blaauw had de politie wel degelijk bezwaren, want 'gokcriminaliteit trekt allerlei gespuis aan'. Tegen Van D. was al eerder een onderzoek in gang gezet, maar dat was tijdelijk gestopt omdat gegevens daarover uitlekten.

De gemeente Rotterdam had geen problemen met Van D.'s illegale praktijken, zolang die geen overlast gaven, en onderhandelde met hem over de financiering van een omvangrijk prostitutiecentrum. Volgens Van D.'s raadsman werd zijn client aangepakt omdat de politie het niet eens was met de plannen voor dat sekscentrum. Ook het gemeentebestuur verdacht de politie van dergelijke 'kinnesinne' en negeerde daarom waarschuwingen van de politie tegen Van D., aldus de huidige gemeentesecretaris, mr. N. van Eck. Volgens mr. P. C. Porrey, die de onderhandelingen met Van D. leidde, kon het de burgemeester, dr. A. Peper, niets schelen uit welke bron het geld voor het sekscentrum kwam, als er maar een oplossing zou komen voor de prostitutie.

Couzijn had ernstige kritiek op het gemeentelijk beleid, dat intrede van de 'onderwereld' in de 'bovenwereld' bevorderde. Het bestuur moet volgens haar juist voorkomen dat de misdaad zich nestelt in de samenleving en weten hoever het kan gaan in contacten met dubieuze figuren. “Het is al te dol wannneer de hoofdofficier van justitie wordt gevraagd uit te leggen waar de grenzen van bestuurijke en ambtelijke ethiek liggen.”

Van D.: “Mijn grootste fout is geweest dat ik van 1979 tot 1986 heb samengewerkt met de gemeente Rotterdam aan de oplossing van het prostitutieprobleem. De hoeren lopen nog op straat hier en dat hebben ze te danken aan een paar gefrustreerde politiecommissarissen die het gemeentelijke beleid doelbewust hebben getorpedeerd.”

De uitspraak is op 11 februari.