HBO'er zal zijn studie pas waarderen als academicus zijn status verliest

Alle wettelijke maatregelen ten spijt, blijven er studenten die opleiding op opleiding stapelen. Het aantal afgestudeerde HBO'ers dat nog een universitaire studie volgt, neemt zelfs elk jaar toe.

Ir. H. Leentjes (29) kreeg pas aanzien in zijn dorp toen hij zijn titel op zak had. In het Friese Sloten (zevenhonderd inwoners) hadden de directeur van de melkfabriek en de tandarts voor die tijd nooit enige aandacht aan hem besteed. “ Waarom zouden ze belangstelling hebben voor een jongen op de LTS? ”, relativeert Leentjes.

Leentjes weet waar hij over praat, want hij maakt deel uit van het groeiende leger universitaire studenten die niet langs de gebruikelijke route (VWO) universitair student worden. Via LTS, MTS en HTS kwam Leentjes enkele jaren geleden op de Technische Universiteit in Delft terecht.

In het laatste nummer van het onderwijstijdschrift Werking beschrijft Leentjes hoe hij, afkomstig uit een milieu en een streek waar studeren zeer ongebruikelijk is ('' Alleen kinderen die zeer goed konden leren gingen naar de MAVO'' ), stap voor stap verder klom. Persoonlijke ontplooiing en het benutten van zijn capaciteiten waren voor hem belangrijke drijfveren om door te gaan, en uiteindelijk ook voor de universitaire studie te kiezen.

Daarmee voldoet Leentjes aan de uitkomsten van het onderzoek dat de Stichting voor Economisch Onderzoek (SEO) van de Universiteit van Amsterdam onlangs publiceerde. In hun verslag van het vooronderzoek naar deelname aan het hoger onderwijs ('Wel of niet verder studeren? ') maken de onderzoekers er melding van dat juist deze twee motieven voor de student die al een opleiding aan een hogeschool achter de rug heeft erg belangrijk zijn. Hoewel het per studierichting verschilt, kan worden gesteld dat dit soort motivatie een veel kleinere rol speelt voor studenten die via het VWO naar de universiteit komen. Bij deze studenten telt het vooruitzicht op zelfstandig werk, leidinggevende functies en een goed betaalde baan zwaarder.

Ook op nog een ander punt voldoet Leentjes perfect aan het beeld van de opleidingen stapelende student. Hij komt zoals gezegd uit een gezin waar studeren niet gebruikelijk is, en het zijn juist kinderen afkomstig uit die milieus die veel vaker dan anderen 'via een omweg' op de universiteit terecht komen. Het gemiddelde opleidingsniveau van de ouders van studenten die na een studie aan een hogeschool een universitaire opleiding volgen, is aanzienlijk lager dan dat van de 'gewone' student, zo blijkt uit het genoemde onderzoek.

DURE STUDENTEN

Maar stapelaars beginnen een probleem te worden. Volgens 'Den Haag' en 'Zoetermeer' kosten zij het rijk te veel geld. De studenten krijgen veel langer studiefinanciering. En hoewel de universiteiten een van het studentental onafhankelijke bekostiging genieten, betekenen de stapelaars ook extra onderwijskosten. Voor de universiteiten doordat ze per student minder geld beschikbaar hebben, voor de staat doordat het nu niet goed mogelijk is het budget te verlagen, iets wat anders niet uitgesloten zou zijn.

De in 1988 ingevoerde Harmonisatiewet - die de toegestane verblijfsduur in het hoger onderwijs aanzienlijk bekortte - had de groei van het aantal studenten dat na een afgeronde studie aan een hogeschool nog een opleiding aan een universiteit volgt, moeten remmen. Sinds de invoering van deze omstreden wet groeit het aantal studenten dat deze opleidingsroute volgt echter sterk: in september begon ruim vijftig procent meer studenten met een hogeschooldiploma aan een universitaire studie dan in 1987.

Het gaat hierbij om ruim 15 procent van de eerstejaars, zo blijkt uit een onderzoek van T. C. van Wijck-Stolk van de Adviesraad voor het Hoger Onderwijs (ARHO). In 1975, nog maar 15 jaar geleden, waren er zo'n 1.600 studenten die na de hogeschool aan de universiteit aan een tweede studie begonnen, in 1980 waren dat er al meer dan 2.100 en dit studiejaar ligt het aantal waarschijnlijk rond de 5.500. Zonder deze overstappers zou het aantal universitaire studenten al een aantal jaren aanzienlijk zijn gedaald.

En de Harmonisatiewet faalt ook in nog een ander opzicht. De wet wilde een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van een stelsel van hoger onderwijs waarin hogescholen en universiteiten gelijkwaardig onderwijs bieden. Volgens de Harmonisatiewet bieden zowel de hogescholen als de universiteiten een eindopleiding. In die opvatting past het niet dat de studie aan een hogeschool als een vooropleiding voor de universitaire studie wordt beschouwd.

Dat dit toch gebeurt, is voor een deel het resultaat van de discussies die de Harmonisatiewet indertijd heeft opgeroepen en die veel studenten op het idee heeft gebracht hun rechten uit te buiten. Daarnaast meent Van Wijck-Stolk dat ook het aanbieden van speciaal voor deze groep ontwikkelde korte, tweejarige opleidingen in zo'n honderd studierichtingen het aantrekkelijk heeft gemaakt nog een opleiding te volgen. Voor menigeen vormt een universitaire studie immers een extra uitdaging.

OP EEN ACHTERNAMIDDAG

Deze effecten zouden mogelijk zijn voorkomen als het oud-minister Deetman was gelukt het oorspronkelijke wetsvoorstel in het Staatsblad te krijgen. Maar de wet, die vooruit zou moeten lopen op de inmiddels bij de Tweede Kamer liggende Wet op het Hoger Onderwijs, leidde na een slechte start tot veel publieke discussie. Deetmans ambtenaren, bezig met het schrijven van het eerste Hoger Onderwijs- en Onderzoekplan, zetten het wetsvoorstel letterlijk op een achternamiddag in elkaar, om de minister te helpen op korte termijn zo'n honderd miljoen gulden te kunnen bezuinigen. Daarna was menige aanpassing nodig om de wet zowel voor de universiteiten en hogescholen als voor het parlement acceptabel te maken.

Daarnaast doorkruiste de komst van de Harmonisatiewet een andere, goedkopere mogelijkheid om studenten sneller door het hoger onderwijs te loodsen. Na enige experimenten werd het in 1982 gemakkelijker om na de propaedeuse over te stappen naar universiteit danwel hogeschool. Van dit laatste wordt met name in de technische studierichtingen gebruik gemaakt. Zo komen er bij de Hogeschool Enschede jaarlijks voldoende studenten van de naburige Technische Universiteit over om er een klas mee te vullen - zoals de Hogeschool jaarlijks ook een aantal van haar studenten na de propaedeuse naar de universiteit verwijst.

De belangstelling voor deze 'horizontale doorstroming' neemt wel toe, maar blijft toch relatief bescheiden. Betrouwbare cijfers ontbreken, maar uit onderzoek van ARHO en SEO blijkt dat het vorig studiejaar om zo'n duizend tot 2500 studenten ging. In de praktijk zijn het voornamelijk havisten die van de horizontale doorstroming gebruik maken: als ze het goed doen kunnen ze sneller aan de universiteit terecht - namelijk na een jaar - dan wanneer ze zouden kiezen voor de omweg via het VWO (die twee jaar kost).

Maar als het parlement akkoord gaat met de wijzigingen die minister Ritzen in de studiefinanciering wil aanbrengen, is de kans groot dat havisten deze route niet meer zullen gebruiken. Het beperken van het recht op een basisbeurs tot 'de cursusduur plus een jaar' (vijf jaar in totaal) maakt de route via de propaedeuse voor hen onaantrekkelijker dan die via het VWO.

Daarnaast zou de beperking op de studiefinanciering wel eens invloed kunnen hebben op het aantal 'omzwaaiers', studenten die tijdens de propaedeuse tot een andere studie besluiten. Sinds de invoering van de Harmonisatiewet, die ook het extra inschrijvingsjaar schrapte voor omzwaaiers (waardoor er zes studiejaren overbleven), is dat aantal al gedaald. Veranderde halverwege de jaren tachtig nog zo'n tien procent van de eerstejaars tijdens de propaedeuse van studierichting, vorig studiejaar was dat percentage al tot onder de acht gedaald. Door de beperking op de studiefinanciering bestaat nu de kans dat studenten een studie blijven volgen die hen niet echt interesseert, en waar zij langer over zullen doen dan strikt noodzakelijk.

Volgens Van Wijck-Stol zal de beperking van het recht op een studiebeurs tot vijf jaar hoger onderwijs weliswaar een rem op het stapelen zetten, maar zal het verschijnsel er niet door verdwijnen. Daarvoor is het stapelen in haar ogen tezeer het gevolg van onvolkomenheden in het stelsel van hoger onderwijs: universiteiten en hogescholen gedragen zich niet als gelijkwaardige partners.

Bovendien zullen er altijd studenten blijven die in hun studie- en schoolloopbaan alleen maar kleine stapjes kunnen zetten, en daarbij elke keer merken dat ze hun grenzen nog niet hebben bereikt. Dit ondanks het feit dat zo'n aanpak ook voor hen weinig doelmatig is, omdat zij hierdoor later dan mogelijk zou zijn op de arbeidsmarkt komen en derhalve korter dan anderen de vruchten kunnen plukken van hun investeringen in een opleiding.

Veel stapelaars zullen volgens Van Wijck-Stol pas echt van de tweede studie afzien als die stap maatschappelijk niets extra's meer oplevert, dat wil zeggen als de kosten voor zelfontplooiing niet langer worden gecompenseerd door het hogere inkomen en de status van de academicus. Die kant lijkt het nu op te gaan. Op de arbeidsmarkt loopt de afgestudeerde aan de hogeschool geleidelijk aan zijn achterstand in. Een hoger inkomen met bijpassende functie voor een academicus wordt steeds minder vanzelfsprekend, zijn door een titel geaccentueerde status staat ter discussie.

    • Quirien van Koolwijk