Een rekstok is een onmogelijk ding, maar het is goed als kinderen nieuwe dingen ervaren.

Eddy Verheijen (44) was vroeger schaatser en schaatstrainer. Nu is hij gymleraar op de Scholengemeenschap De Amersfoortse Berg in Amersfoort. Hij is berucht om zijn voorkeur voor de Coopertest.

“Voor mijn sportcarriere begon, werkte ik al in het onderwijs. Ik heb eerst kweekschool gedaan en mijn hoofdakte gehaald, toen heb ik een paar jaar bij debiele en imbeciele kinderen gewerkt. 's Zomers ging ik vaak met de kinderen naar het zwembad en daar zag ik andere leraren Lichamelijke Opvoeding, die tegen hun leerlingen zeiden: 'Twee baantjes borstcrawl, twee baantjes rugcrawl en daarna vrij zwemmen!' Dat kon natuurlijk niet. Dat kan wel een keer, maar niet regelmatig, want daarmee ontkracht je je vak. Ik vind dat je de kinderen hun plezier moet gunnen, maar als je je lessen Lichamelijke Opvoeding in het zwembad geeft, is er genoeg te doen. Daar heb je je opleiding voor gekregen. Zwemmen is een van de hoofdvakken van de academie. Helaas moest ik toen constateren dat die collega's er anders over dachten.”

U neemt de gymnastiek heel ernstig

“Het komt ook door de regelmaat waarin ik als sporter zat, dan pak je alles heel conscientieus aan. In 1971 werd ik op het toenmalig ministerie van CRM ontvangen en werd mij gevraagd wat ik na mijn schaatscarriere wilde doen. Toen heb ik de academie gekozen. Ik heb de opleiding in drie jaar gedaan en daarbij heb ik cursussen op het Pedagogisch Didactisch Instituut gevolgd. Daar heb ik veel aan gehad, ook voor mijn persoonlijke ontwikkeling. Ik kan nog wel eens nors en stug overkomen.”

Bent u een ijzervreter?

“Ik ben streng, maar rechtvaardig. Ik zeg waar het op staat, maar dat kan ook met een grapje: he klojo! Dat is dan niet denigrerend bedoeld. Als iemand een bal te hard speelt of te druk is, zegt ik: 'Ga jij maar even aan de kant zitten.' Daarmee straf ik zo'n jongen dan. Ik besteed even geen aandacht aan hem en na een poosje komt hij vanzelf naar me toe: 'Meneer, mag ik weer meedoen? ' Dan vraag ik: 'Kan dat dan? ' 'Ja meneer'. 'Kun je weer normaal meedoen? ' 'Ja meneer.' Nou, dan doet hij weer mee. Op die manier hoef je iemand er niet uit te sturen, zo regel ik dat onderling.

“Ik verwacht van de kinderen dat ze meewerken. Ik heb tenslotte mijn vakopleiding genoten en een leerling kan misschien wat anders willen, maar zie eerst maar dat je je middelbare school haalt en je in de maatschappij ontwikkelt. Dan kun je altijd nog eens aankomen met je praatjes en dit moet zus en dat moet zo. Kijk eerst maar eens verder in de wereld rond voordat je kritiek hebt. Dat is mijn filosofie ten opzichte van de kinderen. Niet dat zij onmondig zijn. Ik heb alle respect voor leerlingen in hun hoedanigheid, maar dat respect verwacht ik andersom ook. Als dat niet aanwezig is, laat ik ze dat merken.”

Hoe?

“Door erover te praten: 'Als jij mij zo benadert, neem ik aan dat jij ook zo door mij benaderd wilt worden.' Dan kijken ze me heel verwonderd aan: wat bedoelt hij nou? ! Achteraf kunnen ze niet anders dan toegeven dat ik daarin gelijk heb. Ik wil niet dat men met mij de kachel aanmaakt. Ik sta daar om de leerlingen wat bij te brengen en als dat niet bevalt, dan gaan ze maar weg. Nu loopt dat allemaal zo'n vaart niet, want ik heb hier op school een dubbelfunctie: ik ben niet alleen gymnastieker, ik ben ook schoolleider. Ik scheid die taken strak, maar als ik als gymnastieker iemand eruit stuur, sta ik daarna met de pet van conrector om ze te corrigeren. Maar ik sta ook veel toe. Ze mogen veel praten, alleen als ik iets uitleg, moet het stil zijn. Als het niet stil is, spreek ik ze daar op aan. Dan zeg ik: 'Zit je nu alweer te praten? Hou er rekening mee dat ik daar niet tegen kan. Als ik je nu weer moet waarschuwen, heeft dat invloed op mijn humeur en dat werkt terug op de situatie in de klas. Dan krijgen we een vervelende les en ik denk niet dat je dat wilt. Zoiets hoef je maar een keer te zeggen.”

Doen alle leerlingen hun best?

“Jazeker, sport hoort tot de cultuur van onze school, de mensen die niet willen sporten probeer ik zoveel mogelijk te motiveren. Uiteindelijk is het een verplicht vak. Ik bied veel nieuwe dingen aan, ik geef bijvoorbeeld ski-gymnastiek. Ik heb jarenlang de opleiding voor de skivereniging verzorgd, daar komen veel spelactiviteiten aan de orde, vijf en tien minutenspelletjes zoals wij ze noemen. Dat is niet alleen het normale trefbal, maar een tikspel met een bal in de hand in drie velden. Dat is een heel ander tikspel dan wat men gewend is op de basisschool of in het voortgezet onderwijs. Ik heb dat op de academie tenminste nog nooit gehad. Maar doordat ik mijn bondsdiploma heb gehaald en het diploma van de KNAU, de atletiekunie en door het werk bij de skivereniging, kan ik verschillende technieken aanbieden.

“Voor dit jaar heb ik weer rekstok in het programma. Een rekstok is een onmogelijk ding, maar ik denk dat het goed is als kinderen nieuwe dingen ervaren. Verder maak ik een lessenplan, waarin staat wat ik ga doen. Aan de rekstok kun je ervaren wat je eigen mogelijkheden zijn. Daar leent de rekstok zich goed voor. Sommige kinderen kunnen niet eens vooroverduikelen op een rekstok, omdat ze dat niet in hun speeltijd gehad hebben. Ik denk dat dat een verarming is en daar moet ik iets aan doen. Juist spelactiviteiten geven ruimte en een ander aspect aan het vak.”

Alles goed en wel, maar hoe zit het met die Coopertest?

“De Coopertest is een test om je aerobe vermogen te bepalen. Als je veel aan looptraining doet, kun je de Coopertest gebruiken. Het is een nuttige test, hij geeft de gelegenheid om je te meten. Het woord arbeid, werken, is tegenwoordig niet meer vies, gelukkig mag je tegenwoordig weer presteren. Met de Coopertest kunnen ze presteren.”

    • Yvonne Kroonenberg