Een ontmoeting van twee bedachte landschappen

Tentoonstelling: Ontmoetingen van meesterwerken: Jan Both (Rijksmuseum Amsterdam) en Claude Lorrain (National Gallery Londen). T-m 17-2 in Rijksmuseum, Stadhouderskade 42, Amsterdam. Geopend: di. t-m za. 10-17u, zo. 13-17u. Catalogus fl. 9, 90.

Generaties dichters en kunstenaars trotseerden hitte en droogte, doornige struiken en agressieve geiten om inspiratie op te doen in het Italiaanse landschap. Met ezel en palet trokken de schilders erop uit, ze zwierven door vervallen steden - Ostia, Pompei en Herculaneum -, vergaapten zich aan ruines en verwonderden zich over de strakblauwe zee. Zeker tot in de negentiende eeuw was het gebruikelijk om, eenmaal terug in het atelier, dit proefmateriaal tot schilderijen om te werken: men schoof met verschillende voorstellingen en voegde zelfverzonnen elementen met een Italiaans tintje toe.

Dat er, ondanks de gemeenschappelijke bron van inspiratie, grote verschillen in benadering van het landschap waren tussen de kunstenaars, illustreert de mini-tentoonstelling van twee zeventiende-eeuwse italianisanten, Jan Both en Claude Lorrain, in het Rijksmuseum. Deze expositie van slechts twee schilderijen is de eerste in een reeks van vier, die het Rijksmuseum samen met de National Gallery in Londen dit jaar en het volgend jaar presenteert. Henk van Os, directeur van het Rijksmuseum, wil met deze 'ontmoetingen van meesterwerken', die ingericht zijn rond een thema, de aandacht vestigen op telkens twee onvervangbare hoogtepunten uit de collecties van het Amsterdamse en het Londense museum. Afgezien van het feit dat de 'ontmoetingen' kunsthistorisch van belang dienen te zijn, moeten ze ook de verbeelding prikkelen, aldus Van Os. Daarom wordt iedere keer een schrijver of dichter gevraagd de ruimte voor verbeelding te verkennen. De schilderijen die de reeks openen zijn het Italiaans landschap met een tekenaar (ca. 1650-1652) van Jan Both en het Havengezicht met de inscheping van de heilige Ursula (1641) van Claude Lorrain. Naar aanleiding van deze schilderijen schreef Rutger Kopland een gedicht over de overeenkomstige schoonheid van oude gezichten en oude schilderijen. Voor volgende 'ontmoetingen' heeft men nog geen vastomlijnde plannen.

Both en Lorrain schilderden omstreeks dezelfde tijd in (de buurt van) Rome, Napels en Venetie. Anders dan Lorrain, die het grootste deel van zijn leven in Rome bleef wonen (van 1613 tot 1625 en van 1627 tot aan zijn dood in 1682), verbleef Both maar vier jaar in Italie, tussen 1638 en 1642. Lorrain is het meest invloedrijk van de twee. Zijn landschappen en zeegezichten waren bepalend voor het beeld dat toeristen, kunstenaars, dichters en welgestelde jongelui, die ter afronding van hun opvoeding een 'grand tour' maakten, zich van Italie vormden. Lorrain gaf de resten uit de klassieke oudheid, de Italiaanse kustlijn en de campagna de nostalgische glans van een verloren dromenrijk, waarnaar hordes buitenlanders vergeefs op zoek zouden gaan.

Hoewel ook Jan Both in zijn tijd veel succes had, werd hij bij het nageslacht minder hoog aangeslagen. Er is zelfs een tijd geweest dat de Nederlanders hem als een verrader van de nationale beeldende traditie beschouwden. Waarom zou je immers motieven in Italie najagen als je ook een gezicht op Delft of Haarlem kon schilderen? Toch is Boths Italiaans landschap met tekenaar niet zo Italiaans als zijn critici vroeger en de samenstellers van de catalogus nu wel beweren. Dit valt eigenlijk pas op door het schilderij goed te vergelijken met dat van Lorrain.

Boths ongewoon grote doek biedt ons een panoramische doorkijk op een gele zandvlakte met, vaag in de verte, een stadje, een grijsblauw oplichtend meer en drie bergtoppen. Iets onder de plaats waar wij ons als toeschouwer bevinden, in de schaduw van de bomen, zoekt een groepje herders met hun kudde geiten verkoeling bij een woest stromende bergbeek. Kooplui zijn met hun volgepakte ezels al op weg naar de stad in de hoop hun waren voor de siesta te slijten. Een tekenaar rechts neemt het ochtendtafereel in zich op. Italiaans aan dit schilderij is het zachtgele licht van de opgaande zon, die het 's nachts afgekoelde land in een wazige mist dompelt. De romantisch beboste hellingen waar de herders en de tekenaars zich bevinden en die meer dan driekwart van de compositie in beslag nemen, zijn echter niet typisch zuidelijk: de bomen zijn groot, staan dik in de bladeren en lijken op de soorten die je ook in het noorden aantreft.

Both beperkte de activiteit op het doek tot een minimum. Het landschap is het eigenlijke onderwerp van verbeelding en het straalt een verstilde rust uit. Hoewel Both perspectief in zijn schilderij heeft gebracht - de blik van de toeschouwer wordt via de landweg, de rode bepakking van de ezel en het bruggetje de verte ingevoerd - blijft de voorstelling vrij plat. Verdwijnpunt en lichtbron liggen buiten het doek, onzichtbaar voor ons, zodat het lijkt alsof de voorstelling van het schilderij 'afloopt'. Deze indruk wordt versterkt doordat de kunstenaar geen kader schilderde in de vorm van coulissen of een andere begrenzing. Both probeert de toeschouwer zo wijs te maken dat het landschap, c.q. de natuur, zich weerspiegelt op het platte vlak; een opzet waar hij via de tekenaar rechtsonder op het doek (Both zelf? ) subtiel naar verwijst.

Met deze beschrijvende manier van schilderen sluit Both aan bij de schildertraditie van zijn noordelijke collega's. Misschien ligt hier ook een verklaring voor het feit dat Boths werk zo lang werd ondergewaardeerd. Both vertelt geen verhaal uit de klassieke mythologie, verkondigt geen bijbelse boodschap en vermijdt zware symboliek; zaken waar men in de klassieke esthetica dol op was. Boths onderwerp is simpelweg het landschap, en om dat te begrijpen zijn geen bijzondere intellectuele vermogens vereist.

Jonkvrouwen

Heel anders is het doek van Claude Lorrain, dat wel aan de Italiaanse regels voor esthetiek beantwoordt. Lorrain verpakt zijn beeldende vaardigheden in een stichtelijk martelaarsverhaal en situeert dit in een klassieke setting. Op het Havengezicht met de inscheping van de heilige Ursula zien we Ursula, links op de kademuur, die aanstalten maakt om met elfduizend gezellinnen uit Rome terug naar Engeland te varen. Onderweg, tijdens de tocht over de Rijn, stuiten de vrouwen op de Hunnen, wier hoofdman met Ursula wil trouwen. Ursula weigert en vindt samen met haar groep jonkvrouwen de marteldood.

Hoewel het schilderij in naam de heilige tot onderwerp heeft, is Ursula visueel niet erg belangrijk. De schippers die voor op de kade hun schepen laden en lossen, de twee- en driemasters die in de haven voor anker liggen, de Romeinse architectuur langs de waterkant en, vooral, het zachte licht van de opkomende zon dat het hele doek bestrijkt, zijn Lorrains eigenlijke onderwerpen. De voorstelling is symmetrisch opgebouwd volgens een dwingend compositorisch schema. De blik van de kijker wordt via het licht rimpelende water en een strenge corridor van tempels en fantasiepaleizen precies naar het midden van de voorstelling geleid, waar een groot schip zich scherp tegen de opkomende zon aftekent. Nog verder gaat onze blik, langs de mast en door het tuigage heen, om in het verst verwijderde punt, het zonlicht, te verdwijnen.

Lorrains zeegezicht is duidelijk geidealiseerd. De lokatie is verzonnen, de monumenten zijn produkten van de fantasie en het is nog maar de vraag of de 11.000 jonkvrouwen ook niet bedacht zijn. Lorrain creeerde een landschap van de geest, waar de toeschouwer aan de hand van suggestieve kleuren, symbolische voorwerpen en gebeurtenissen kon mijmeren over abstracte zaken als 'afscheid', 'verlangen', 'vertrek', 'toekomst' en 'dood'. Boths landschap mag dan in bepaalde opzichten beschrijvend zijn, realistischer dan dat van Lorrain is het beslist niet. Zijn 'Italiaans landschap' is minstens zo bedacht als dat van zijn collega. Het verschil is alleen dat Both gebruik maakt van herkenbare motieven die in de natuur voorkomen: bomen, herders, geiten, ezels en zelfs een stadje met een kerktoren. Deze smeedt hij volgens de principes van de Gulden Snede samen tot een atmosferisch tafereel. Zo schept ieder zijn eigen Arcadie.