Een kleine oorlog aan het thuisfront

Voor de tegenstanders van oorlog die achteraf tot de ontdekking zijn gekomen dat Nederland zich afzijdig had moeten opstellen hoeven we weinig waardering te hebben.

Evenmin moeten we de voorstanders omarmen, die achteraf vaststellen dat de oorlog onvermijdelijk is. Het is te gemakkelijk om aan de morele dilemma's te ontsnappen door te wachten met een oordeel tot het niet meer ter zake doet en vervolgens uit te roepen: “Hier sta ik, ik kan niet anders”. Maar dat is wat met name de fractie en het bestuur van de PvdA hebben gedaan.

Nu krijgen we komend weekeinde een ietwat potsierlijk vervolg: na meer dan twee weken vijandelijkheden in de Golf gaat het PvdA-congres zich afvragen of het allemaal wel verstandig is, zo'n oorlog. Hier past een gegeneerd stilzwijgen en de herinnering aan de woorden van oud-minister van Defensie Vredeling: congressen kopen geen F-16's. En roepen al helemaal geen fregatten terug in oorlogstijd, ben ik geneigd daaraan toe te voegen.

Eigenlijk is al het gedraai van de PvdA onbegrijpelijk, want de opstelling van de Nederlandse regering is toch halfslachtig genoeg om van harte onderschreven te kunnen worden. Onder invloed van enkele PvdA-ministers en de premier zelf is de Nederlandse deelname aan de oorlog beperkt en vooral van defensieve aard. De betrokken militairen lopen een minimaal risico. We sturen geen grondtroepen, maar varen ook niet weg, zoals onze zuiderburen.

We doen bescheiden mee omdat we niet echt meespreken. Dat is wel vaker het lot van een klein land, zeker in een Europa dat zo verdeeld is dat het geen rol speelt.

De vraag of militair geweld te vroeg is gebruikt zal onbeantwoord blijven. Wat een legitieme politieke vraag was, is na het uitbreken van de oorlog een onderwerp van louter historisch belang geworden: had het regime van Hussein een langdurig embargo overleefd en was het mogelijk geweest om een zeer onaangename coalitie bijeen te houden? Misschien hadden sancties gewerkt, we zullen het nooit weten en dat is op z'n minst pijnlijk.

Het is geen poging tot een rechtvaardiging achteraf, maar hoe langer de oorlog duurt hoe onwaarschijnlijker het is dat het embargo effectief zou zijn geweest. Was het werkelijk een zesdaagse oorlog geworden, dan zou er geen enkele reden zijn om te veronderstellen dat een zo zwak militair apparaat het embargo zou hebben overleefd. De weerstand van het Iraakse leger, ook na zovele bombardementen, wijst echter op een uitgewoekerd militair gezwel dat niet gemakkelijk uitgerookt had kunnen worden met economische dwangmiddelen.

Ik deel de aarzelingen die velen binnen en buiten de PvdA bezighouden, maar ik verafschuw de manier waarop ze nu naar voren worden gebracht. Telkens werd gesuggereerd dat het nog niet om een definitief oordeel ging en werd geschermd met mogelijke uitwegen en veto's. Het echte 'ja' kwam de meerderheid pas over de lippen toen de eerste schoten waren gelost. Het PvdA-congres kan dat niet meer goed maken en rekt de beschamende gang van zaken alleen nog verder.

Ronduit treurig wordt het als de voorzitter van de kamerfractie er toe over gaat een criticus als Piet de Visser met zachte aandrang uit de eigen gelederen te verwijderen. Met De Visser ben ik het helemaal niet eens, maar hij moet blijven en kunnen zeggen dat de oorlog hem niet bevalt.

Schijn-uitstel

Voor deze kleine oorlog aan het thuisfront zijn wel enkele verklaringen te geven. In de eerste plaats is dat de regering te lang een besluit voor zich uit heeft geschoven. Hoewel het alle ministers duidelijk moet zijn geweest dat de keuze in augustus om fregatten te sturen onherroepelijk was, deden ze het voorkomen alsof in geval van oorlog alle mogelijkheden nog open lagen. Het motief voor dit schijn-uitstel is duidelijk. Er moesten twee coalities worden gespaard: de ene die in Den Haag aan de macht is en de andere die Saddam Hussein op de knieen probeert te krijgen. Potentiele tegenstanders van een Nederlandse bemoeienis in de PvdA zijn zo aan het lijntje gehouden en hebben zich tegelijk achter dit uitstel verscholen. Dat is wonderwel gelukt, maar had wel tot gevolg dat het parlementaire debat in de kiem werd gesmoord. Van alle kanten is geklaagd over de procedurele inslag van de parlementaire debatten. De hele afhandeling is een schoolvoorbeeld van de depolitisering van morele kwesties, zoals beschreven door Lijphart, die onze pacificerende democratie eigen is.

Een meer specifieke oorzaak van het gedraai in PvdA-kring is de onwil om de rol van machtspolitiek in de internationale betrekkingen onder ogen te zien. Ondanks alle pogingen een rechtsorde te scheppen, wordt meer dan eens militaire dwang gebruikt in de omgang tussen de naties. Natuurlijk moeten democratieen zo lang mogelijk proberen zich niet aan de middelen van een dictatoriale tegenstander aan te passen, maar soms gaat het niet anders.

Destijds maakten veel sociaal-democraten zich drukker om de eventuele plaatsing van kruisraketten, dan om de daadwerkelijke installatie van SS'20-s door de Sovjet-Unie. Ook nu weer wekken sommigen de indruk dat de militaire reactie kwalijker is dan het geweld dat eraan vooraf is gegaan. Na de oorlogshandelingen van Irak is terecht met militair geweld gedreigd. Geloofwaardige diplomatie die agressie probeert te weerstaan steunt op het mogelijk gebruik van geweld. Op dat beginsel proberen veel critici van deze oorlog af te dingen, ook al hullen ze hun afwijzing in het, op zichzelf serieuze argument dat de sancties nog onvoldoende waren uitgeprobeerd.

Een andere oorzaak van de verwarring in de PvdA is mij het meest sympathiek, namelijk de onmogelijkheid om de prijs van militaire en diplomatieke druk tegen elkaar af te wegen. Dat de prijs van oorlog hoog zal uitvallen lijkt wel zeker: de humanitaire offers, die omvangrijk zullen zijn; de milieukosten waarvan de eerste aanwijzingen rampzalig zijn; de politieke kosten, die na afloop in rekening worden gebracht en de economische kosten, die nu al gigantisch zijn.

Hoe kunnen we weten of deze prijs te rechtvaardigen valt? Waaraan moet dat worden afgemeten? We kunnen slechts speculeren over wat de uiteindelijke prijs van 'vrede' zou zijn geweest. Een aanvaarding van de annexatie van een deel van Koeweit na enige tijd? Een nucleaire aanval op Israel door Irak over enkele jaren? Controle door Hussein van bijna de helft van de wereldolievoorraad? Wie zal het zeggen. Het antwoord op die vragen zal nooit meer gegeven kunnen worden. En dat is op zichzelf een hele opluchting.

Een laatste verklaring voor de houding van de sociaal-democraten is een hang naar afzijdigheid. Nederland heeft voor de oorlog lange tijd in de illusie van neutraliteit geleefd. Na de oorlog bood de Amerikaanse bescherming de mogelijkheid om deze afzijdigheid voort te zetten. Naast een goedkope defensie leverde dat een soort morele onschuld op: we hoefden ons niet met de vuile internationale machtspolitiek op te houden, dat deden anderen voor ons. Vooral in de PvdA klonk het protest tegen de afhankelijkheid van de Verenigde Staten regelmatig, maar in de afzijdigheid die door dezelfde Verenigde Staten mogelijk werd gemaakt zag men wel voordelen.

Keuze

En toen was er ineens een werkelijke dreiging van oorlog in de Golf en moest een keuze worden gemaakt. Daarbij had Nederland niets te zeggen over het tijdstip waarop de oorlog zou worden begonnen en ook niet over de manier waarop hij zou worden gevoerd. Dat wisten we van te voren, lang voor de 15e januari. De vraag die de Nederlandse politici zich moesten stellen was een heel andere dan die waarmee hun Amerikaanse collega's zo diepgaand worstelden. In de Tweede Kamer ging het niet om de vraag of er oorlog diende te worden gevoerd kort na aflopen van de VN-deadline, maar slechts om de onplezierige vraag als het tot een oorlog komt, doen we mee of houden we ons erbuiten? En dat is toch een andere verantwoordelijkheid.

De keuze van de regering kwam laat, maar was wel terecht. Geplaatst voor de nog steeds oneigenlijke keuze tussen Atlantische afhankelijkheid en nationale afzijdigheid, heeft de regering gekozen voor deelname aan de (vooral Amerikaanse) poging om Hussein met militaire middelen te verdrijven. Het is goed dat we ons daarmee vereenzelvigen. Want wie de onzekerheid over het tijdstip van de oorlog afzet tegen de zekerheid dat we te maken hebben met een militair bewind zonder scrupules in een regio waar grote materiele en immateriele belangen op het spel staan, die weet dat neutraliteit in dit conflict een onwaarachtige houding is. Zeker voor de PvdA die alle VN-resoluties stuk voor stuk heeft toegejuicht. Wat het zwaarste is moet men na alle gerechtvaardigde twijfel het zwaarste laten wegen.

    • Paul Scheffer