Economisch pessimisme

Half tot zwaar bewolkt en enkele buien. De voorspellingen voor de Nederlandse en de internationale economie van de laatste tijd lijken sterk op weerberichten.

Voor de Nederlandse economie was 1990 een topjaar, maar intussen kijken ondernemers met wit weggetrokken gezichten naar de toekomst. In de Verenigde Staten en Groot Brittannie is de bui al losgebarsten. In die twee landen stagneert de produktiegroei en in sommige sectoren is er zelfs sprake van krimp. We spreken in zo'n geval van een recessie. Ondernemend Nederland is doodsbenauwd dat wij ook een flinke staart van dat zware weer over ons heen krijgen. Maar, stelden ze onlangs flink, we moeten elkaar geen recessie aanpraten. Het zijn namelijk niet alleen keiharde feiten, zoals een gestegen olieprijs, die de economie onder druk kunnen zetten. Ook de angst voor een recessie kan ertoe bijdragen dat de economische misere werkelijkheid wordt. Het afgelopen halfjaar was er onzekerheid: zou het in de Golf nu wel of geen oorlog worden? Die onzekerheid is voorbij. Maar naarmate de Golfoorlog langer duurt, neemt het economisch pessimisme weer toe.

Als consumenten zich wat ongemakkelijk gaan voelen over de toekomst, heeft dat invloed op hun bestedingen. Daarbij gaat het niet om de dagelijkse boodschappen. Vooral in de aanschaf van duurzame consumptiegoederen, zoals diepvriezers, hifi-apparatuur, auto's en huizen, komt de klad. Die nieuwe auto, daar wachten we maar even mee. Is het nu wel zo'n goed moment om ons in de hypotheekschuld te steken voor een huis? Consumenten zetten hun koopplannen voorlopig in de ijskast. Gevolg: de omzet van de getroffen ondernemingen loopt terug. En daarbij blijft het niet. Omdat hun afzet is gedaald kopen deze ondernemingen minder grondstoffen, halffabrikaten en machines. Daarvan worden weer andere bedrijven het slachtoffer die op hun beurt... Zo duwt een daling van het consumentenvertrouwen de economie in een recessie.

Wat voor consumenten geldt, gaat nog sterker op voor producenten. Een ondernemer investeert in nieuwe machines en gebouwen, omdat hij verwacht zijn afzet te kunnen vergroten. Met een investering trekt hij een wissel op de toekomst. Bij zijn beslissing weegt hij de kosten van de investering af tegen de onzekere opbrengsten ervan. Een versombering van de verwachtingen heeft onmiddellijke gevolgen voor de groei van de bedrijfsinvesteringen. Uitbreidingsinvesteringen gaan niet door en vervangingsinvesteringen worden, als het even kan, uitgesteld. Ondernemingen die kapitaalgoederen produceren, machinefabrieken en bouwbedrijven, zitten binnen de kortste keren met een uitgedunde orderportefeuille. En ook dat werkt natuurlijk weer door in de rest van de economie. Zonder dat er een tastbare oorzaak bestaat, leidt het economisch pessimisme van de ondernemers tot de gevreesde recessie. Het consumenten- en producentenvertrouwen is zo belangrijk voor de ontwikkeling van de economie dat conjunctuurvoorspellers regelmatig enquetes houden om dat vertrouwen te meten. De resultaten daarvan spelen een grote rol bij het maken van economische voorspellingen.

Het is begrijpelijk dat Nederlandse ondernemers proberen elkaar moed in te praten. Maar of het echt helpt is de vraag. Zodra de ondernemer weer in zijn eigen directiezetel zit en peinzend naar de bouwtekeningen van een nieuwe bedrijfshal kijkt, zal hij misschien wel denken: in het belang van de Nederlandse economie moeten we ons niet van de wijs laten brengen. De investeringen moeten op peil blijven. Maar in het belang van mijn onderneming lijkt het me handiger toch maar even te wachten. En tot die conclusie komen ze allemaal. Afspreken dat we elkaar geen recessie zullen aanpraten, werkt dus niet.

Intussen kunnen we ons wel afvragen of er reden is om de toekomst van de Nederlandse economie met zoveel zorg tegemoet te zien. Een kleine, sterk op export aangewezen, economie als de Nederlandse rijst en daalt op de golven van de wereldeconomie. Volgens de OESO - de club van 24 industrielanden die regelmatig adviezen en prognoses publiceert over de economische ontwikkeling in de wereld en in de afzonderlijke landen - wordt 1991 een mager jaar. En daarbij moet dan nog worden bedacht dat de OESO bij zijn voorspelling geen rekening heeft gehouden met het effect van een langdurige Golfoorlog. Nam de produktie van de industrielanden in 1989 nog toe met 3, 4 procent, in 1990 was dat groeicijfer al teruggelopen tot 2, 8 procent en voor 1991 wordt een produktiegroei voorspeld van 2 procent. Vooral de bedrijfsinvesteringen krijgen het zwaar te verduren. Van een uitbundige 8, 3 procent groei in 1989, via 5, 1 procent in 1990, naar een bescheiden 2, 7 procent voor 1991.

De Nederlandse ondernemers, die ruim zestig procent van hun produktie aan het buitenland verkopen, hebben op het eerste gezicht dus alle reden de kopjes te laten hangen. Want als onze buitenlandse afnemers in een recessie terecht komen, kopen ze minder van onze produkten. Toch is die vrees volgens de OESO ongegrond. Nederland zal in 1991 zijn export naar verwachting met 4, 6 procent kunnen vergroten. Die opsteker hebben we te danken aan de sterke bestedingsgroei in het herenigde Duitsland. Voor 1992 wordt zelfs een uitvoergroei van 5, 7 procent verwacht. Ondanks die positieve ontwikkeling loopt de produktiegroei in 1991 terug: van drie naar twee procent. Met de bedrijfsinvesteringen is het in 1991 helemaal triest gesteld. De OESO verwacht een daling met bijna een procent. Als Nederland in 1991 inderdaad in de voorspelde recessie belandt, hebben we dat helemaal aan onszelf te wijten. En misschien meer aan ons economisch pessimisme dan aan onze economie.

    • Jan Pleus