DNA-onderzoek leidt niet tot justitiele aardverschuiving

In het hoofdartikel op 5 januari over het DNA-onderzoek in strafzaken wordt opgemerkt dat minister Hirsch Ballin iets aan de Koningin zou hebben uit te leggen, daarmee refererend aan de Kerstboodschap.

Alhoewel het te ver zou gaan hier op de complexe inhoud van de rede van de Koningin in te gaan, kan wel worden opgemerkt dat het een werkelijk niets te maken heeft met het ander. De vraag die de koningin stelt, is of er met de mogelijkheid erfelijke eigenschappen te veranderen geen grens is bereikt die tot bezinning noopt. In het geval van DNA-onderzoek voor forensische doeleinden gaat het om bestudering van dat deel van het DNA, dat niet codeert voor erfelijke eigenschappen. Verder is er geen sprake van 'iets veranderen' en gaat het in wezen om niets anders dan een verdere verfijning van reeds bestaande methoden van identificatie.

De suggestie dat met DNA-onderzoek ten behoeve van identificatiedoeleinden ook, door de verdachte niet gewenste, informatie over de erfelijke aanleg voor bepaalde ziekten verkregen kan worden, is onjuist. Het DNA, dat zich in de 46 menselijke chromosomen van menselijke celkernen bevindt, bevat drie miljard chemische bouwstenen. Slechts een of twee procent van deze bouwstenen coderen voor de 50.000 tot 100.000 eiwitten, die de basis vormen voor de structuur, stofwisseling en functies van alle cellen, weefsels en organen. De bouwstenen die tezamen voor een eiwit coderen, vormen tezamen een gen en afwijkingen daarin kunnen tot erfelijke ziekte leiden. Daarnaast vormt de combinatie van bepaalde erfelijke eigenschappen met de blootstelling aan bepaalde uitwendige factoren vermoedelijk de basis voor vele zogenaamde multifactoriele ziekten zoals kanker, bepaalde vormen van hart- en vaatziekten, suikerziekte en verschillende psychiatrische en neurologische aandoeningen. Bij de forensische toepassing van DNA-onderzoek gaat het niet om de bovengenoemde genen, maar juist om de 98-99% van het niet-coderende DNA, waaraan geen functie wordt toegekend, behalve dat het van individu tot individu verschilt. Alleen een-eiige tweelingen hebben een identiek DNA-patroon.

Begin 1989 werd DNA-onderzoek voor forensische doeleinden reeds in vijftien landen toegepast of voorbereid. In de VS zijn resultaten van DNA-onderzoek in meer dan tweehonderd rechtszaken geaccepteerd als bewijsmateriaal tegen of ten gunste van verdachten. In dergelijke situaties wordt DNA geisoleerd uit sporen bloed, sperma of ander lichaamsmateriaal en het patroon van het niet-coderende gedeelte wordt vervolgens vergeleken met dat van DNA, geisoleerd uit bloed, wangslijmvlies of ander celmateriaal van verdachten.

De commissie-Moons is, naar wij hebben ervaren, zeer zorgvuldig te werk gegaan wat betreft het verkrijgen van informatie omtrent de betrouwbaarheid van DNA-analyse. Meer dan een dozijn deskundigen uit een zestal landen, en zowel uit forensische laboratoria als daarbuiten, zijn geraadpleegd. Vrijwel zonder uitzondering hebben deze verklaard dat er geen betrouwbaarder methode denkbaar is voor het vaststellen of uitsluiten van de identiteit van twee individuen. Ook het recent verschenen uitgebreide rapport van de Office of Technology Assessment van het Amerikaanse Congres komt tot het eindoordeel dat “DNA-onderzoek voor forensische doeleinden deugdelijk en betrouwbaar is, mits het onderzoek op de juiste wijze door ervaren laboratoriumwerkers wordt uitgevoerd”. De enkele fouten die in Amerika zijn gemaakt, bleken te berusten op een onaanvaardbaar slordige werkwijze in twee commerciele laboratoria.

Het commentaar van 5 januari in NRC Handelsblad munt ook qua inzicht in de ethische dimensies van de DNA-problematiek niet uit door helderheid. De schrijver maakt zich zorgen om de 'menselijke waardigheid', die in dit geval niet als grens bij het gebruik van een onderzoeksmethode gerespecteerd zou worden. Maar welke inbreuk op de menselijke waardigheid heeft hij voor ogen? Het feit dat een prikje in een vingertop wordt gegeven? Het zou beter zijn om zulke inhoudsvolle begrippen als 'menselijke waardigheid' te reserveren voor zaken die echt belangrijk zijn, zoals de lichamelijke integriteit van een verkrachte vrouw of vermoord mens.

Natuurlijk, het feit dat het om een kleine prik gaat, zegt niet alles. Er is meer aan de hand. De testuitslag zal in een aantal gevallen een sluitende conclusie toestaan met betrekking tot het daderschap. Als men dat een 'ware justitiele aardverschuiving' noemt, dan is dat niet omdat de bewijsmethode op zich zo kwetsend voor de menselijke waardigheid zou zijn, maar veeleer vanwege de onontkoombaarheid van het bewijs. Onze samenleving wenst degene die een geweldsdelict gepleegd heeft te straffen, maar dan moet er wel zekerheid zijn dat men met de dader te doen heeft. Door de DNA-test is uitsluiting mogelijk van het risico, dat men een ten onrechte verdacht persoon straft. Dat is een grote winst. De ten onrechte verdachte persoon, het slachtoffer en de samenleving hebben er allen belang bij dat de juiste persoon wordt gestraft. Alleen voor de dader geldt dit niet, maar daarvoor is hij nu juist ook de dader.

Overigens betekent de invoering van de mogelijkheid van DNA-onderzoek voor forensische doeleinden niet dat mensen nu plotseling alleen op grond van de resultaten hiervan worden veroordeeld. De rechter zal in een beperkt aantal gevallen de resultaten van DNA-onderzoek tezamen met vele andere overwegingen mee laten spelen bij zijn uiteindelijk oordeel.

Naar ons oordeel dienen overheid en politici zich nu te buigen over de vraag op welke wijze een betrouwbare werkwijze en goede mogelijkheden voor contra-expertise, wat ons betreft uitsluitend in niet-commerciele laboratoria, verwezenlijkt kunnen worden. Vrees dat laboratoria voor gerechtelijke geneeskunde zich ook op het aantonen van 'ziekte-genen' zullen werpen, zoals indirect gesuggereerd in het commentaar in NRC Handelsblad, is ongegrond. Men heeft de vereiste expertise niet, het valt niet binnen hun taakopdracht en de vereiste materialen zijn niet beschikbaar. Bovendien is het DNA niet op de voor dit doel noodzakelijke wijze bewerkt. Elke verbinding naar belangen van een verzekeringsmaatschappij, werkgever of andere in gezondheidsrisico's geinteresseerde instantie is dus hypothetisch.

Verder lijkt ons bezinning nodig over de vraag welk materiaal en welke gegevens moeten worden vernietigd of bewaard en in het laatste geval, hoe de opslag moet plaatsvinden en op welke wijze de toegankelijkheid dient te worden geregeld. Ook hier is afweging van belangen in het geding. Gegevens in de Verenigde Staten hebben aangetoond dat veroordeelden voor verkrachting een tien keer grotere kans hebben opnieuw voor dit misdrijf te worden gearresteerd dan veroordeelden voor andere zware delicten. In verband hiermee wordt in verschillende staten bloed afgenomen van veroordeelden voor verkrachting die hun straf hebben uitgezeten. Zonder twijfel zou een dergelijke handelwijze in ons land tot emotionele reacties leiden.

In tegenstelling tot het hoofdredactionele commentaar in deze krant zijn wij van mening dat de recent ingediende aanvulling van het Wetboek van Strafvordering niet tot een moreel dilemma leidt. Integendeel: het zal soms een dilemma oplossen.

    • H. Galjaard
    • H. Dupuis