Delfts museum toont zeewezens op Nederlandse tegels; Halfnaakt in de huiskamer

'Meerminnen en meermannen, zeewezens op 17e en 18e eeuwse tegels'. Museum Lambert van Meerten, Oude Delft 199, Delft. T-m 14 april. Di t- m za 10-17u, zo 13-17u.

Een zware storm blies in 1403 in een ruk een zeemeermin van de Middellandse Zee naar de Zuiderzee. Door een tweede, minder harde stormvlaag werd de vrouw-vis van de Zuiderzee in het Purmermeer gesmeten. Daar werd ze ontdekt door melkmeisjes die, ondanks hun schrik, het wonderlijke zeewezen vingen en naar Edam brachten. Hier leerde de meermin eten als een mens. Daarna ontfermde de stad Haarlem zich over haar. Ze leerde niet alleen spinnen maar ook de catechismus. Zo stierf de meermin als christenmens en werd op het kerkhof begraven. Dit is kort samengevat het verhaal dat de Amsterdamse geleerde Franciscus Junius (1590-1677) opschreef over 'Het Zee-wyf ofte Meerminne dat uit de Zuiderzee kwam'.

Een dergelijke bekeerde meermin, met een kruis en een rozenkransje in de hand, is te zien op een serie tegels op de kleine, bijzondere expositie 'Meerminnen en meermannen, zeewezens op tegels uit de 16e en 17e eeuw' in het Delftse museum Lambert van Meerten. Ze kijkt niet bijzonder vrolijk, deze christen-meermin en lijkt in tegenstelling tot haar soortgenoten op het land te liggen. Misschien is het wel de Zuiderzee-meermin die de tegelbakker hier raak geschetst heeft.

Meerminnen, meermannen, zeemonsters, zeeengelen, zeeherten, zeepaarden, bestaande en niet bestaande vissen prikkelden de fantasie van de tegelbakkers in de Gouden Eeuw zichtbaar. Waarschijnlijk onder invloed van de toenemende ontdekkingsreizen in die tijd ontstond er een grotere behoefte aan exotischer afbeeldingen op tegels dan alleen de betrekkelijk brave bijbelvoorstellingen, boerentaferelen, krijgs- en ambachtslieden en andere decoraties op de tegels die tot dan toe in de mode waren.

Al sinds de oudheid zijn mensen door zeewezens gefascineerd. In de Griekse en Romeinse mythologie wemelde het van zeegoden (Poseidon en diens vrouw Amfitrite, Afrodite die uit zeeschuim werd geboren, Triton, half mens-half vis) en de wonderlijke zeedieren die hen omringden, zoals dolfijnen maar ook zeepaarden, zeebokken, zeeherten etcetera, die veelvuldig afgebeeld werden. De Romeinse schrijver Plinius (21-79 na Chr.) stelde in zijn boek Naturalis Historia dat alle landdieren soortgenoten in zee hebben. Hij beschreef ook meerminnen en meermannen. In de middeleeuwen leefden dergelijke fabeldieren onder meer in dierenboeken ('Bestiaria') voort. Uit die tijd stamt ook een verhaal over Alexander de Grote, die in een glazen bol naar de zeebodem afdaalde waar een engel hem allerlei zeemonsters toonde, waaronder een exemplaar met een vissestaart van ruim 300 km. In de renaissance herleefde ook de belangstelling voor de Griekse en Romeinse zeegoden en -monsters.

Kunstenaars en cartografen uit de Gouden Eeuw (zoals Hendrik Goltzius en Willem Bleau) versierden hun gravures, atlassen en zeekaarten rijkelijk met de meest fantastische zeewezens. De tegelbakkers baseerden zich daar op, veronderstelt de heer J. ten Broeke uit Rijswijk, die de tentoonstelling samenstelde. Dat deden ze speels, fantasievol, niet nauwgezet of historisch verantwoord. Bij de reis van de Middellandse Zee naar de Zuiderzee raakten de zeegoden en -monsters wat door elkaar. Of er een gewone naakte vrouw op een dolfijn staat te dansen, of een een godin als Amfitrite, daarover kunnen de geleerden geen uitsluitsel geven. Soms is zelfs niet duidelijk of de tegelbakker een meermin of een meerman tekende, omdat de borsten van de meermannen ook zwaar zijn aangezet. De tegelbakkers konden zich op dit terrein ook enige vrijheid permitteren, omdat de klanten niet zo'n grondige kennis van de Griekse en Romeinse mythen hadden.

De tegelbakkers tekenden ook bestaande zeedieren op tegels, zoals krabben, roggen, haringen of walvissen, die met tonnen spelen die door de scheepslui overboord zijn gezet om ze af te leiden. De eerste stap in de richting van de fantasiezeewezens zetten de tegelschilders vaak al bij deze categorie tegels, als ze bijvoorbeeld vliegende vissen die ze nog nooit gezien hadden, tekenden. Van de combinatie vogel-vis is de stap klein naar andere combinaties met landdieren. De expositie bevat van al deze categorieen voorbeelden.

De aandacht voor het wonderlijke zeewezen bleef in de zeevarende Nederlanden niet beperkt tot alleen de tegels en kaarten. Op gevels van herenhuizen uit die tijd bijvoorbeeld werden talloze zeewezens (zelfs vrijende meerminnen en -mannen) als versiering aangebracht. Op de expositie zijn daarvan een aantal foto's te zien.

Niet alleen het onderwerp, al die fantasie-wezens, van de tegels is geestig, ook de manier waarop ze getekend zijn. Doordat ook in de Gouden Eeuw al de tegels in serie werden gemaakt, mocht de tekenaar niet te veel tijd besteden aan een tegel, die anders te duur zou worden. Vandaar al die snelle en rake, soms karikatuurachtige schetsen, die niet gedateerd aandoen. De meeste tegels hebben blauwe afbeeldingen, maar er zijn ook een paar prachtige veelkleurige zeewezentegels die opgegraven zijn in Rotterdam en dateren uit de periode 1580-1620. Vooral Harlingen was in de Gouden Eeuw een belangrijk tegelbak-centrum, en de meeste geexposeerde tegels zijn daar dan ook gemaakt. Men denkt dat de hausse in zeewezentegels uit die tijd een typisch Nederlandse aangelegenheid is geweest. In het buitenland was er nauwelijks of geen sprake van. Wel had je daar grote tableaus (dus afbeeldingen op meerdere tegels geschilderd) van zeewezens. Maar om halfnaakte zeegoden en zeegodinnen zo groot in de huiskamer of keukens aan de wand te hebben, dat ging onze voorvaderen waarschijnlijk iets te ver.