De beste lesboeken komen uit het bedrijfsleven

Kan het onderwijs van het bedrijfsleven leren hoe goede lesboeken moeten worden gemaakt? Of is het onderwijs niet gebaat bij het keurslijf van efficiente, en dus uiterst nauwkeurige boeken? Zouden zulke lesboeken een aanslag vormen op de feilloze intuitie van de doorgewinterde leraar, die boeken 'behandelt' en er zo zijn eigen systematiek aan oplegt?

Dr. H. A. M. Franssen van het Centrum voor Leermiddelenontwikkeling van de Rijksuniversiteit Utrecht denkt dat het bedrijfsleven vooroploopt bij de ontwikkeling van de lesboeken van de toekomst. Volgens hem zullen dat boeken zijn waarbij de begeleiding van de docent tot een minimum is beperkt, omdat alles wat erin staat tot in detail wordt uitgelegd. Alleen zulke boeken maken het mogelijk zelfstandig te leren, en zelfstandig leren is wat, meent hij, modern onderwijs kinderen moet bijbrengen.

Franssen hoort bij het selecte clubje van deskundigen die zich op wetenschappelijk niveau bezighouden met wat de 'constructie van leermiddelen' wordt genoemd. Dat deze deskundigen sinds enkele jaren belangstelling tonen voor het bedrijfsleven, is niet zo vreemd. Steeds meer vakgroepen onderwijskunde (waaronder ook het Centrum voor Leermiddelenontwikkeling in Utrecht valt) zien bedrijven als de toekomstige werkgevers voor hun studenten. Verder gelden in het bedrijfsleven nog niet de tradities en routines die maken dat de lesboeken in het onderwijs een lange voorbereiding en hoge ontwikkelingskosten vergen. Hierdoor heeft het bedrijfsleven inzichten overgenomen die onder onderwijskundigen al enige tijd gemeengoed zijn, maar die het onderwijs vooralsnog afhoudt.

KERNWOORD .

Kernwoord bij deze nieuwe inzichten is 'taakanalyse', een begrip dat via het inmiddels tot standaardwerk gepromoveerde 'Designing instructional systems' van de onderwijskundige A. J. Romiszowski uit de Verenigde Staten is overgewaaid naar Europa. Taakanalyse is het schijnbaar eenvoudige, maar in de praktijk uiterst moeizame ontwarren van de precieze onderdelen van een handeling, en de onderlinge relatie van deze onderdelen. Om een voorbeeld uit de klas te nemen: leerlingen die leren klokkijken moeten niet alleen cijfers kennen, maar ook het verschil tussen lang en kort (voor de wijzers), het verband tussen tijd en klok, de relatie tussen cijfers en tijdseenheden en nog veel meer. Zelfs voor dit toch simpele voorbeeld geldt volgens Franssen dat onderwijzers “ moeilijk intuitief met alle onderdelen rekening kunnen houden”. Die onderdelen moeten dus stuk voor stuk in het lesboek staan.

Taakanalyse is tijdens de Tweede Wereldoorlog uitgedacht door leerpsychologen in dienst van het leger, om soldaten snel en efficient te leren omgaan met nieuw wapentuig. Romiszowski nam het idee over toen hij bij de modernisering van Brazilie in de jaren zestig grote aantallen werknemers moest leren met telecommunicatie te werken. De onderwijskundige school die vervolgens ontstond, kende van meet af aan tegenstanders. Zij wezen op het gevaar dat boeken die zijn gebaseerd op minutieuze taakanalyses, een verstikkend keurslijf voor hun lezers kunnen zijn. Ook meenden ze dat taakanalyse te veel detaillering tot gevolg kan hebben. Dankzij de belangstelling van het bedrijfsleven konden de voorstanders hun pionierswerk voortzetten. Het bedrijfsleven vond de nieuwe inzichten bij uitstek geschikt voor het maken van technische studieboeken.

Maar de stap van boeken voor om- en bijscholing van werknemers naar aardrijkskundeboeken voor het basisonderwijs is groot. Tijdens een onlangs in Bilthoven gehouden symposium over leermiddelen presenteerde Franssen zijn opvattingen aan toehoorders uit het onderwijs en de educatieve uitgeverijen. Kritiek was zijn deel, varierend van “ zulke boeken houden geen rekening met intelligente leerlingen” tot “ de voorbeeldfunctie van het bedrijfsleven wordt sterk overschat” en “ er wordt in lesboeken al veel gepresenteerd volgens de principes van de taakanalyse”. .

CRUCIALE BEGRIPPEN .

Terug in Utrecht blijkt Franssen wel begrip voor dit soort geluiden te hebben. Ook hij zou het niet goed vinden als elk lesboek klakkeloos door de molen van de taakanalyse werd gehaald. Vormend onderwijs, zoals geschiedenis, leent zich er niet voor. Voor het kennisgerichte onderwijs geldt dat er alleen taakanalyse zou moeten plaatsvinden van wat Franssen 'cruciale begrippen' noemt, niet van alle onderdelen dus. Klokkijken is zo'n cruciaal begrip.

Maar als aan die voorwaarden is voldaan, wint het onderwijs volgens Franssen bij taakanalyse. Want, haalt hij een aardrijkskundeboek voor het basisonderwijs tevoorschijn, “ dit kan toch beter? ”. Hij slaat een willekeurig hoofdstuk op en leest voor: “ Vroeger werden boter en kaas alleen op de boerderij gemaakt. Tegenwoordig komt de meeste boter en kaas van de fabriek. Het werk dat vroeger op veel boerderijen door veel mensen gedaan werd, gebeurt nu door enkele mensen met behulp van machines. Het werk van de boer is overgenomen door fabrieksarbeiders. Boter en kaas worden gemaakt van melk. Daarom noemen we melk de grondstof van boter en kaas.”

Volgens Franssen is het begrip grondstof niet goed uitgelegd, ontbreekt het verband tussen veel boeren en weinig machines en is het onduidelijk waarom er indertijd machines zijn gekomen. Het hoofdstukje over 'landbouw en fabrieken' is net als de rest van het boek geschreven voor klassikaal onderwijs, waarbij de onderwijzer uitlegt en aanvult.

Waarschijnlijk zal dat in de volgende druk van het boek nog niet anders zijn. Een ommezwaai in de richting van bijna geheel zelfstandig door te werken boeken zit er niet in zolang de centrale rol van de leraar standhoudt tegen de macht van tv, computer en informatiemaatschappij. Pas wanneer dat verandert, zal het onderwijs volgens Franssen “ de taakanalyse aangrijpen als een manier om te overleven”.