Andre Becquart verzamelt schilderijen van jonge Hitler; De vloek van Wijtschate

“Hitler was niet de kladschilder waarvoor hij wordt gehouden. Hij had wel degelijk talent, al mankeerde er iets aan zijn perspectief.

Het was in Vlaanderen, dichtbij de Franse grens, november 1973 en ik noteerde een uitspraak van Andre Becquart, een toen vijftigjarige ex-hoofdonderwijzer en amateur-historicus die een soort Zwitsers chalet in een bosperceel bij Wijtschate bewoonde. Zijn woorden schoten me weer te binnen toen ik deze week het stuk van Henk van Gelder over de 'slagveldschetsers' las.

Ook Hitler viel in zekere zin onder die noemer als Gefreiter in het 16de Beierse Reserve-infanterieregiment, dat hier in het begin van de Eerste Wereldoorlog werd gedecimeerd. Van de 3.500 manschappen die het bewuste legeronderdeel telde, bleven er slechts 600 in leven. Tot degenen die de dans ontsprongen behoorde de toekomstige Fuhrer, toen nog een onbeduidend korporaaltje.

Tussen de barre krijgshandelingen door heeft de jonge Adolf destijds menig tafereel vastgelegd op aquarellen waarvan Becquart kopieen bezat, onder andere de ruine van de Kloosterkerk in Menen. In de jaren 1936-'38 werden deze platen door de nazi's op grote schaal vermenigvuldigd en verspreid onder het Duitse volk. Men trof ze aan in pakjes sigaretten van een bepaald merk. Wie er tien had verzameld, kreeg een glansfoto van de Fuhrer cadeau.

Holle weg

Minder bekend is Hitlers olieverfprodukt van de holle weg bij Wijtschate, dat door Becquarts zuster in oorspronkelijk formaat was nageschilderd. Die kopie hing bij mijn gastheer in huis op een steenworp van de plek waar Hitler in 1914 zelf met kwast en penseel in de weer was. Een nogal warrige compositie van kapotte bomen en bouwvallen, met op de voorgrond een vormeloze figuur die Becquart als 'een Duits lijk' identificeerde.

Volgens hem had het origineel altijd in Hitlers studeerkamer in Berchtesgaden, het 'Adelaarsnest', gehangen. Als hoge militairen de leider kwamen lastig vallen over de ontberingen waaronder hun soldaten gebukt gingen, placht hij op dat schilderij te wijzen met de woorden: “Daar werd nog eens ontbering geleden!” Dat had Becquart tenminste recentelijk vernomen van een bejaarde Duitse bezoeker, die naar eigen zeggen tot Hitlers vertrouwelingen had behoord. Albert Speer misschien? Dat leek niet uitgesloten.

Dan was er ook nog een pentekening, waarop Hitler zichzelf had afgebeeld temidden van andere, marcherende soldaten. Hij droeg trots een vaandel en onder de tekening stond: “Auf nach Comines!”. Die kreet duidde volgens Becquart op Hitlers verlangen naar een cafe in die plaats, La grosse Julie, waar een meisje zat dat zijn bijzondere goedkeuring wegdroeg. Het moet verscheidene keren tot intieme contacten gekomen zijn.

Hiermee wenste Becquart het verhaal te ontzenuwen als zou Hitler zoiets als een seksuele handicap hebben opgelopen. “Kent u die fabel van de heer Maes, oud-strijder uit Thorhout? Die beweert dat Hitler bij het passeren van een prikkeldraadversperring zich gekwetst heeft aan, laat ik maar zeggen, zijn strategische delen, begrijpt u? Een boeiende story, maar volstrekt onwaar. U kunt van mij aannemen dat Hitler zeer wel in staat was tot seksueel verkeer. Hij was wat wij noemen voor honderd procent capabel.”

IJzeren kruis

Hitler heeft in Vlaanderen trouwens geen enkele verwonding opgelopen; wel later, aan de Somme in Frankrijk. Bij Wijtschate is alleen de mouw van zijn uniformjas door een explosie afgerukt. In dezelfde omgeving werd Hitler begiftigd met het ijzeren kruis 2de klasse 'voor betoonde dapperheid'. Zowel het heldenfeit zelf als de uitreiking van het kruis zou zich hebben voltrokken op of vlakbij de plek waar Becquart resideerde. Daarom beschouwde hij zijn terrein als historische grond.

Raadpleging van oude regimentsboeken leerde hem hoe Hitler, toen nog soldaat, de onderscheiding in de wacht sleepte. Becquart: “Op de 16de november 1914, 's morgens vroeg, bevond hij zich met ene Bachmann in gezelschap van kolonel Engelhardt, die zich van de stand der gevechten op de hoogte kwam stellen. De kogels floten rond en ze moesten dekking zoeken in een granaattrechter. Engelhardt kreeg daar gauw genoeg van en rees overeind, maar Hitler en Bachmann trokken hem ijlings terug. Dat heeft de kolonel het leven gered, want op hetzelfde moment brandde een nieuw salvo los”.

In een der regimentsrapporten meldt Engelhardt met gevoel voor pathos: “Ik heb hen beiden zwijgend de hand gedrukt”. Als dank voor zijn reddingsactie kreeg Hitler enkele dagen later het ijzeren kruis en werd hij tevens tot korporaal bevorderd. “Ich bin Gefreiter geworden”, schreef hij opgetogen aan zijn vrienden in Munchen, alsook: “Es war der glucklichste Tag meines Lebens”.

Die toon typeerde volgens Becquart de 'nieuwe' Hitler. “Als jonge man”, aldus de Vlaamse Fuhrer-vorser, “was Adolf behept met een uitgesproken minderwaardigheidsgevoel, maar daar werd hij hier van af geholpen. De persoonlijke zegepraal die hij in Wijtschate verwierf, moet van grote invloed zijn geweest op zijn verdere leven. Hier nam de geschiedenis dus een wending, die later fataal zou worden. Daarom is mij ook wel gezegd: Wijtschate is de meest vervloekte plaats ter wereld.”

Toen ik op die novemberdag 1973 Becquarts riante woning verliet, stuitte ik buiten op een half vergane ton die de bodem van Wijtschate kort daarvoor had prijsgegeven. “Een latrine uit de loopgraven van het 16de Beierse Infanterieregiment”, verklaarde de gewezen onderwijzer. “Het is zeer wel mogelijk dat ook Hitler die heeft gebruikt ter ontlasting van zijn ingewanden.”

    • F. G. de Ruiter