Amerikaanse navolger van Rohmer bewijst Vermeer eer

ROTTERDAM, 31 jan. - Volgens de Amerikaanse filmmaker Jon Jost bestaat er een overeenkomst tussen de speculatie in tulpenbollen aan het eind van de zeventiende eeuw in Nederland en de huidige handel en wandel van Wall Street.

Hij legt ook verbanden tussen de schilderkunst van Johannes Vermeer en de inflatie in diens tijd. Dat is echter niet de voornaamste reden waarom hij in zijn speelfilm All the Vermeers in New York de liefde van een effectenhandelaar voor een Franse studente laat ontluiken in de zaal van het Metropolitan Museum, waar beiden regelmatig de schilderijen van Vermeer bewonderen. De inspiratie door de Hollandse meester is vooral van picturale aard. Zonder nu direct diens stijl te kopieren, is de transparante, kale cameravoering met een onverwachte lichtval wel degelijk een hommage aan Vermeer.

De deels geimproviseerde scenes tussen jonge Newyorkers, waarbij het drama ondergeschikt is gemaakt aan een onopgesmukte manier van observeren, is verrassend voor een Amerikaanse produktie. Niet alleen door de aanwezigheid van actrice Emmanuelle Chaulet doet Josts film, waarin de spraakzame leegte van de jonge personages soms irriteert, nog het meest denken aan de Manhattan-variant van een film van Eric Rohmer.

De overeenkomsten en verschillen tussen beiden kunnen op het Filmfestival Rotterdam meteen worden gecontroleerd, want ook Rohmers laatste speelfilm, Conte de printemps, is er te zien. Het is het begin van een nieuwe Rohmer-cyclus, die hij 'vertellingen van de vier jaargetijden' doopte. In de eerste aflevering is het lente en de liefde kruipt waar ze niet gaan kan. Belangrijker is nog de onwaarschijnlijke vriendschap tussen twee meisjes van totaal tegengesteld karakter. Zoals altijd betoont Rohmer zich weer de meester van de beheerste, minimale cinema, waarin iets te veel gepraat wordt, en interieurs en kleding hun eigen bijdrage leveren aan de sprankelende conversatie tussen mensen en hun omgeving.

Rohmers cerebrale cinema lijkt wel het tegendeel van de minstens zo pure, maar aardse en metafysische jonge Russische films in Rotterdam. Veel enthousiasme wekte Svetlana Proskoerina's eerder in Locarno bekroonde Wals van het toeval- Sloetsjainyj vals. Ook Proskoerina liet haar deels niet-professionele acteurs improviseren in een van de buitenwereld afgesloten huis, waarover je weinig meer te weten komt dan dat de bewoners nauwelijks meer met elkaar kunnen communiceren. In dit Tsjechoviaanse vacuum draaien de personages om elkaar heen. Het resultaat is een interessant experiment, dat mij toch niet helemaal kan bekoren, door een gebrek aan tastbaarheid, alsof de zielen van de personages een halve meter boven de grond zweven.

Ook in het speelfilmdebuut van de door de documentaire Afrikaanse jacht (over de dichter Nikolai Goemiljov) bekend geworden Igor Alimpijev, krijgt de onbestemdheid van zijn hoofdpersonen gestalte door een dubbelzinnige, zoekende vormgeving. De voormalige wereldhervormers zijn nu over de dertig en werken soms gewoon bij de politie. Er vallen in zijn film Pantsir ook engelen uit de hemel boven Leningrad.

Een van de beste Russische debutanten in Rotterdam is de al 55-jarige Vitali Kanevski. Zijn autobiografische vertelling Sta, sterf en verrijs- Zamri oemri voskresni gaat over een twaalfjarig jongetje (de innemende Pavel Nazarov) die opgroeit in een dorp in de goelag, waar hij de alledaagse waanzin van armoede, onderdrukking en onmenselijkheid trotseert en als ieder ander met horten en stoten volwassen wordt. De film heeft gevoel voor humor, de vormgeving is aantrekkelijk spectaculair en mikt soms zelfs op iets te gemakkelijke effecten. Mede daardoor is het slavische exotisme minder prominent en hoeft de kijker weinig moeite te doen om zich aangesproken te voelen.