Topman Esso: Westen straks nog afhankelijker van OPEC

BREDA, 30 JAN. Los van de vraag hoe de Golfoorlog afloopt, het Westen zal in de nabije toekomst nog meer dan nu afhankelijk worden van olie uit de OPEC-landen, in het bijzonder uit de Golfstaten met hun enorme reserves.

Bovendien zullen moderne raffinaderijen, zoals de meeste in Nederland, voorkeur hebben voor de relatief zware en zwavelrijke olie uit Koeweit, Saoedi-Arabie, Mexico en Venezuela.

Dit zegt Rene Dahan (47), president-directeur van Esso Benelux, die binnenkort vertrekt en een topfunctie - executive vice president - bij de moedermaatschappij Exxon in de Verenigde Staten aanvaardt.

Dahan legt uit dat de bewezen oliereserves in het Midden-Oosten en een aantal andere OPEC-landen (Organisatie van olie exporterende landen) gemiddeld nog elk jaar toenemen terwijl die in het Westen kleiner worden. “Dat geldt vooral voor de Noordzee, de Verenigde Staten, maar ook voor Alaska. Gemiddeld over de hele wereld hebben we nog voor omstreeks 45 jaar olie maar in Europa gaat het over een jaar of tien flink dalen.”

Oliemaatschappijen als Esso-Benelux en Shell-Nederland hebben sinds de oliecrisis van 1979 miljarden gestopt in modernisering van raffinaderijen om uit een vat olie meer 'lichte' produkten als benzine en dieselolie te kunnen halen. Maar ook de scherpere milieu-eisen dwongen tot deze ingrijpende verbeteringen. Esso vernieuwde de raffinaderijen in Antwerpen en Rotterdam en installeerde in de Botlek een 'Flexicoker' waarmee een veel hoger rendement bij de raffinage wordt bereikt.

“Dat was hard nodig”, zegt de topman van Esso, “omdat we in het begin van de jaren tachtig te maken hadden met een heel lage economische groei waardoor zowel het olieverbruik als de produktie onder druk stonden en er een veel grotere vraag naar lichte brandstoffen ontstond. Je moest rationaliseren. Esso-Benelux heeft een zeer beperkte eigen olieproduktie, alleen ons deel dat de Nederlandse Aardolie Maatschappij wint. Dus moeten we vrijwel alle olie op de wereldmarkt kopen. Onze installaties zijn nu speciaal uitgerust om zware en hoogzwavelige olie te verwerken. Daarnaar zal in de naaste toekomst minder vraag zijn omdat de meeste raffinaderijen, willen ze aan de moderne milieu-eisen voldoen, de voorkeur zullen geven aan lichte, laagzwavelige oliesoorten. Dat zou betekenen dat lichte olie (bij voorbeeld uit de Noordzee) duurder wordt. Onze raffinaderijen hebben eigenlijk geen behoefte aan Noordzee-olie om aan de milieu-eisen te voldoen. Wij proberen dus relatief goedkopere olie uit de Golfstaten, Mexico en Venezuela te kopen, waarvan we mogen aannemen dat ze in ruime mate beschikbaar zal blijven.”

“Dat is een gegeven, door de ruime reserves daar. Over de toenemende afhankelijkheid van OPEC maak ik me geen grote zorgen want niet alleen Rotterdam en Antwerpen maar de hele wereld heeft daarmee te maken”, voorspelt Dahan. “Het zal zelfs een hele toer zijn op de Noordzee de komende tien jaar het huidige produktieniveau te handhaven”.

Een dimensie is in alle beschouwingen over de toekomst van de olie-industrie bepalend, zegt Dahan, en dat is de olieprijs. “Bij een hoge prijs krijg je meer besparing, minder vraag en meer activiteiten met nieuwe technieken om elders, buiten de Golf, reserves aan te boren. Maar ik denk dat iedereen inmiddels heeft aanvaard dat het huidige produktieniveau in de Verenigde Staten en op de Noordzee niet kan blijven gehandhaafd. De afgelopen maanden hebben wel bewezen dat een aantal OPEC-landen op elk moment de technische mogelijkheden heeft om de produktie flink op te voeren. Men is daar zeer flexibel.”

Oliewinning uit de omvangrijke teerzanden en velden met zware olie in de wereld voorziet Dahan pas in een verdere toekomst. “We beschikken over de technologie, maar het is nu nog veel te duur. Een project bij voorbeeld om slechts 50.000 vaten per dag te winnen uit dergelijke bronnen - dan praat je over een druppeltje op de wereldbehoefte - vergt een gigantische investering en duurt zeven tot tien jaar. Dan is wel duidelijk dat je dit niet als een toverformule kunt zien.”

“Maar er komt een moment dat de wereld gedwongen wordt naar andere mogelijkheden uit te zien, want de vraag naar energie neemt toe. Je kunt denken aan synthetische brandstoffen - uit kolen - en een groter aandeel van elektriciteit. Ik hoop ook op meer kernenergie, op een verantwoorde wijze. Als ik circa 55 jaar vooruitkijk, hoop ik dat onze kinderen en kleinkinderen slim genoeg zijn in technisch opzicht om met aanzienlijk minder fossiele brandstoffen toch een comfortabel leven te leiden en de economische groei voldoende ruimte te geven.”

De huidige olievoorraden in het Westen zijn, wanneer de aanvoer door de Golfoorlog niet onverhoopt wordt verstoord, voldoende om een flinkeperiode te overbruggen. “Iedereen in dit vak neemt aan dat er na deze oorlog grote inspanningen worden verricht om de produktie in Koeweit, en later Irak, weer op te bouwen. De investeringsbehoefte? Overal waar goede mogelijkheden bestaan om op economisch haalbare wijze olievelden te ontwikkelen, daar zullen oliemaatschappijen serieus naar kijken.”

Dahan gelooft niet dat de Golfoorlog in dat beleid van de maatschappijen veel verandering zal brengen. Diverse maatschappijen, ook Exxon, studeren intensief op de mogelijkheden in de Sovjet-Unie. “Maar het zal tijd kosten. De politieke, bestuurlijke en juridische problemen die zich daar voordoen, moeten eerst worden opgelost. Ik denk dat het energieplan dat premier Lubbers vorig jaar lanceerde een verdienstelijk concept is, dat daartoe kan bijdragen en zowel de Sovjet-Unie als het Westen veel voordeel kan brengen.”

Dahan is een 'self-made man' in de olie-industrie. Hij werd geboren in Marokko, volgde een nautische opleiding in Frankrijk en deed in de jaren zestig als stuurman de Rotterdamse haven aan. Hij werd verliefd op een Nederlandse, trouwde en maakte de overstap naar Esso, waar hij door bedrijfsopleidingen de fijne kneepjes van het olievak leerde. De maatschappij stuurde hem naar Londen en New York, hij keerde terug naar Esso-Nederland in een directiefunctie en werd in 1985 president-directeur. Dahan zal het honderdjarig bestaan van Esso-Benelux op 11 maart nog meemaken, maar niet meer als president-directeur.

Dahan laat Esso-Nederland achter als een bedrijf dat in 1990 ten koste van “zeer grote investeringen, vooral in de moderisering van de raffinaderijen” voor het eerst na tien jaar van verliesgevendheid weer winst boekt. Het jaar 1989 leverde na aftrek van financieringskosten en belastingen nog een verlies van 2, 6 miljoen gulden op, tegen een verlies van 132, 4 miljoen in het jaar daarvoor.

“Operationeel maakte Esso-Nederland in 1989 al winst en boekte in dat jaareen aanzienlijke verbetering. In 1990 hebben we een verdere stap vooruit gezet, al is het resultaat nog steeds niet zo dat er een redelijke beloning voor de investeringen uitrolt. Ik ben dan ook nog niet tevreden, al gaan we de goede kant uit. Mijn maatstaf daarbij is heel simpel: de beloning moet hoger worden dan de verdienste die je kunt behalen als je je geld op de bank zet. Er moet ook een beloning uit komen voor de risico's van de onderneming.