Somme in de woestijn

Veertien dagen geleden verklaarden de wereldleiders dat oorlog onvermijdelijk was, 'tenzij er een wonder gebeurde.

De reis naar Bagdad van Perez de Cuellar leverde het definitieve bewijs dat dit wonder zich niet zou voltrekken en daarmee werd de laatste twijfel aan de legitimiteit van militaire actie opgeheven. Legitiem was de aanval, maar dat betekende niet dat het ook politiek of diplomatiek of zelfs krijgskundig een verstandig besluit was er al mee te beginnen.

Na twee weken oorlog blijkt dat het militaire opperbevel in betrekkelijke stilte op een ander wonder heeft gerekend: dat van de Blitz waardoor Saddams verbindingen zouden worden verwoest en het leger in de woestijn stuurloos en ongeravitailleerd tot een snelle overgave zou worden gedwongen. Ook dit wonder is uitgebleven. Na twee weken intensieve luchtoorlog nadert men behoedzaam tot de conclusie dat de Blitz is mislukt. De impasse waarin de coalitie op 15 januari terecht is gekomen, is verwisseld voor een andere waarin men opnieuw zijn toevlucht neemt tot de hoop op een wonder en als dat zich niet voltrekt, begint de landoorlog.

Welke rechtvaardiging zal de coalitie daarvoor aanvoeren? Geen andere dan die waarmee ze op 16 januari de aanval heeft ingezet (en dus niet: de oorlog is begonnen, want die dateert van 2 augustus 1990). Zelfs heeft Saddam de coalitie nog meer recht van handelen gegeven. Wil men een omschrijving van wereldvijand nummer 1, dan kan men volstaan met zijn signalement: agressor van Iran en Koeweit, gebruiker van verboden wapens, onderdrukker van minderheden, vervaardiger van kernwapens die hij misschien zou gebruiken als hij voor gifgas niet terugschrikt, dictator met geheime politie - dat was al bekend - en inmiddels heeft hij er een milieuramp en mishandeling van krijgsgevangenen aan toegevoegd. Zodoende heeft hij de vredesbeweging in verwarring gebracht; men zit daar nu met 'twee zielen in een borst' en er zijn zelfs activisten die onder deze omstandigheden 'erg veel medelijden met zichzelf' hebben gekregen.

Behalve dit is er de afgelopen twee weken nog meer gebeurd. Voor de coalitie is de oorlog - ook als men het persoonlijk verdriet en de materiele vernietiging niet onderschat - een luxe-oorlog geweest. In verhouding tot bijvoorbeeld Korea of Vietnam en zeker in vergelijking tot de Tweede Wereldoorlog zijn de verliezen aan deze kant gering. Ook de verslaggeving op de televisie wordt nog steeds gekenmerkt door de precisie van hygienisch uitziende voltreffers. De smerigheid van de milieu-oorlog komt volledig voor rekening van de tegenpartij. Juist die betrekkelijke 'luxe' is er de oorzaak van dat de Arabische publieke opinie zich feller tegen de coalitie keert.

Daarbij komt aan het Amerikaanse thuisfront de groeiende teleurstelling over het uitblijven van snelle resultaten. Al meer dan een week nu worden de Amerikanen door de regering en het opperbevel op de landoorlog voorbereid. Tot dusver heeft dat de populariteit van de president niet geschaad: in de polls mag hij zich verheugen in een voortdurend stijgende lijn. Maar in hoeverre heeft hij die aan de impopulariteit van Saddam te danken? In hoeverre is de opgetogen televisieverslaggeving daarvoor verantwoordelijk? En wat de rapportage aangaat: zouden bij het uitbreken van een landoorlog de media en het publiek nog verder genoegen nemen met de strenge censuur die de militairen aan het 'front' (wat op het ogenlik aan deze kant die naam nog nauwelijks verdient) hebben ingesteld? Vorige week is het al tot een kleine opstand van de serieuze pers en de grote omroepmaatschappijen gekomen. Ik betwijfel of de regering die druk nog verder kan weerstaan als het tot veldslagen in de woestijn zou komen, en vooral, of de populariteit van de president ertegen bestand zou zijn.

'In de praktijk zijn vernietigingoorlogen zeldzaam', heet het in het fraaie essay dat de Encyclopaedia Britannica aan de oorlog wijdt. 'Aan beide kanten geeft men er de voorkeur aan, de eigen taak te vergemakkelijken door de andere partij een zekere hoop te geven voor het geval die zal capituleren. Prolonged slaughter both frightens en disgusts normal men.' (Ik laat deze zin onvertaald om de compactheid niet te bederven). Juist deze voortgezette slachtpartij staat wellicht de strijdkrachten van de coalitie te wachten. De gevolgen daarvan, dat kan men op zijn vingers natellen, zullen zich in de Arabische wereld en aan het thuisfront doen voelen.

Terugkeer naar een toestand van vrede is op het ogenblik onmogelijk. Maar zoals voor 16 januari de mogelijkheden van de blokkadepolitiek niet waren uitgeput, zo zijn er nu misschien nog openingen om aan het trommelvuur en de tankslagen in de woestijn te ontsnappen. Veertien dagen heeft de strategie van beleg en isolering geduurd. Is dat voldoende om tot de conclusie te komen dat deze methode is mislukt? Is er geen kans dat nieuwe initiatieven tot onderhandeling na een nog wat langer voortgezet beleg groter ontvankelijkheid in Bagdad zullen ontmoeten?

Het conflict is zo ver gevorderd dat er uitsluitend gekozen kan worden tussen twee vormen van kwaad die beide afschuw wekken. Maar is een beleg niet beter - hoe betrekkelijk ook - dan een herhaling van de Somme in de woestijn, of zelfs maar de kans daarop? Dat zal pas een beproeving voor de coalitie zijn die haar, volgens de woorden van Eisenhower, nog zal verrassen.

    • H. J. A. Hofland