Regering in Londen speelt in op publieke afkeer van de 'slager van Bagdad'; Britse pers eist hoofd Saddam Hussein

LONDEN, 30 jan. - Hoe meer Saddam Hussein zich profileert als “The Butcher of Baghdad” - zoals de populaire pers in Engeland hem bij voorkeur noemt - des te groter wordt de druk van de publieke opinie om de 35.000 Britse militairen die in de Golf zijn gelegerd het mes te laten zetten in de slager zelf.

Sinds het afgelopen weekeinde lijken regeringsvertegenwoordigers bezig op deze emoties in te spelen. Zo zei Tom King, de minister van defensie, nadrukkelijk dat de resoluties van de Verenigde Naties de geallieerden “verplichten ervoor te zorgen dat Irak niet opnieuw zal toeslaan wanneer de oorlog eenmaal is beeindigd”. Gisteren werd de Britse premier, John Major, door een opponente in het Lagerhuis scherp ondervraagd over het vermeend verruimen van de doeleinden van de oorlog, tot buiten de definities van de VN-resoluties. Al eerder had Major gezegd dat Saddam zelf geen doelwit was, “al zou ik persoonlijk om zijn dood geen traan laten”. Gisteren weigerde de premier zich te houden aan alleen het bevrijden van Koeweit en sloot hij de vernietiging van het militaire apparaat van Irak opnieuw niet uit.

Rechtvaardiging daarvoor ligt volgens de Britse regering in de bewoordingen van VN-resolutie 678, waarin toestemming wordt gegeven voor het gebruik “van alle middelen die nodig zijn om het doel van de bevrijding van Koeweit te bereiken en te komen tot herstel van vrede en veiligheid in het gebied”.

De signalen die de twee belangrijkste partners in de alliantie in de Golf gisteren hebben afgegeven verschillen daarmee van toonzetting. Terwijl George Bush in zijn 'State of the Union'-toespraak de bevrijding van Koeweit voorop stelde en daarmee strikt binnen het raamwerk van de VN-resoluties bleef, legde Groot-Brittannie het accent op vernietiging van de oorlogsmachine van Irak. In dat verschil weerspiegelt zich het dilemma tussen een politiek aanvaardbare en een strikt militaire oplossing.

De Britse regering lijkt de militaire variant op dit moment vooral hoog op te spelen, teneinde het thuisfront te laten wennen aan een oorlog van maanden in plaats van weken. De nadruk op de (extra) militaire inspanning moet bovendien niet militair actieve bondgenoten zover krijgen dat ze de portemonnaie verder opentrekken om de Britten te steunen.

De minister van buitenlandse zaken, Douglas Hurd, is iets behoedzamer in zijn uitlatingen. Zijn visie richt zich meer op de periode na afloop van de oorlog, waarbij de grootste vraag zal zijn of het Westen in het militaire conflict zijn geloofwaardigheid in de regio zal hebben versterkt of zelfs maar behouden. Wat de positie van Irak op dat moment zal zijn hangt daarmee ten nauwste samen. Op het ministerie van buitenlandse zaken wordt niet uitgesloten dat Saddam Hussein na het einde van de oorlog nog steeds het bewind over Irak zal blijken te voeren. Als het even kan niet als martelaar voor de Arabische zaak of als semi-heilige voor de moslimwereld, maar als een lamme eend, waaraan het Iraakse volk zelf de genadeklap zou moeten toebrengen.

Bij doorgewinterde diplomaten als Hurd stroomt de wetenschap dat oorlogen nieuwe kansen voor herschikking kunnen creeren als bloed door de aderen. Het zal de Britse (en de Amerikaanse) regering straks misschien nog moeite genoeg kosten om aan de publieke opinie in het Westen te verkopen dat Iraks leider niet bezweken is onder al die geallieerde krachtsinspanning. Terwijl de Britse regering dus aan de ene kant de handen vrij wil hebben om de streep in het woestijnzand uit militaire overwegingen te negeren, beseft ze tegelijkertijd dat het al te zeer opspelen van de kaart “de slager van Baghdad” gevaren voor de toekomst in zich bergt.

Het formele excuus dat de VN-resolutie de vrijheid geeft tot verruiming van de doeleinden van de oorlog, door te spreken over “herstellen” van vrede en veiligheid in het gebied met alle middelen, wordt in Londen noch naar betekenis noch naar juridische inhoud hoog aangeslagen, al was het maar omdat er geen sprake kan zijn van het herstellen van een situatie die in het gebied nooit heeft geheerst.

    • Hieke Jippes