PvdA'er: we zijn de oorlog in gerotzooid

ROTTERDAM, 30 jan. - Het was een “keiharde brief” geweest, “en die heb ik niet geaccepteerd”.

Het Tweede-Kamerlid Piet de Visser (59) toonde zich gisteravond op de gewestelijke vergadering van de Rotterdamse PvdA zwaar aangeslagen. Namens fractieleider Woltgens was hem maandag schriftelijk verzocht “na te denken over zijn functioneren” in de Kamer. Met zijn forse kritiek in de media over de manier waarop Woltgens de fractie in het Golfdebat van 11 januari op een lijn had proberen te krijgen zou hij zich “buiten de loyaliteit van de fractie hebben gesteld”.

De Visser had toen als enige PvdA'er meegestemd met de motie van Groen Links waarin Nederlandse militaire deelname werd afgekeurd. Aan zijn achterban vertelde De Visser gisteravond dat hij na de brief zijn Kamerwerk had “geschorst” tot na het congres van dit weekeinde. Afhankelijk van wat daar gebeurt “en de adviezen die ik inwin” overweegt hij zijn Kamerlidmaatschap neer te leggen. In de media had hij gesproken over een 'non-vergadering' die zijn fractie na het beslissende Kamerdebat nog had gewijd aan de vraag of nu werkelijk alle diplomatieke middelen waren uitgeput. Ook had hij openlijk betwijfeld of alle fractiegenoten wel naar eer en geweten voor of tegen het regeringsstandpunt hadden kunnen stemmen. Volgens De Visser was dat niet zo geweest - de fractieleiding had zware persoonlijke druk uitgeoefend op de potentiele tegenstemmers.

Tegen het gewest zei hij gisteravond met overslaande stem dat de fractie “de oorlog in gerotzooid” was. Dat VN-resolutie 678 een ultimatum bevatte was volgens hem nooit als zodanig in de fractie besproken. “Tot aan de Kerst is er in de fractie helemaal nergens over gepraat. Dat neem ik ook mezelf kwalijk”, aldus De Visser. Hij wist het op de fractiedag op 8 januari in Doorn op de agenda te krijgen, maar tot zijn verbazing had de fractiecommissie Buitenland de gebruikelijke schriftelijke notitie ter voorbereiding onnodig gevonden. “Er was alleen ene Ad Melkert die zei dat er niks aan de hand was. We hoefden ons geen zorgen te maken. Er was helemaal geen sprake van oorlogsdeelname. Als dat zou gebeuren dan zouden we daar pas later over praten”. De Visser had nog zo gewaarschuwd: dat Irak vol zat met wapens, dat er maar dat hoefde te gebeuren en het zou mislopen. Maar woordvoerder Melkert had de fractie gesust.

En toen lag er opeens een dag later een brief van de regering, waarin het uitvoerend commando van de Nederlandse schepen bij een conflict werd overgedragen aan de Amerikaanse bevelhebber ter plaatse. Volgens De Visser was dat “een verkapte oorlogsverklaring. Dat er een verschil zat tussen 8 januari in Doorn en de brief van de regering op 9 januari, heeft de hele fractie erkend”. Maar nog altijd kreeg hij geen gehoor bij de fractieleiding. Het “ultieme besluit” dat Nederlandse schepen zouden mogen schieten “zou pas veel later komen”. Maar ook dat bleek niet waar. In het Kamerdebat van 11 januari kwamen daar “de twee torpedo's van Van Mierlo en Bolkestein, en ons vredesbootje lag daarna op de bodem”. De premier antwoordde met “jazeker” op de vraag van de liberalen of Nederlands schepen nu wel of niet mochten schieten.

“We zijn in de fuik van de fractieleiding gezwommen”, aldus De Visser. Hij had desnoods voor willen stemmen als Thijs Woltgens maar had gemeld dat er een minderheid in de fractie was die twijfels had. Dat had niet gemogen. De fractievergadering vier dagen later over de Golf had hij daarna zinloos gevonden. De beslissing was toch allang gevallen. “Ons bootje kon niet meer naar vredesland”. Dat hij ook toen niet tegen het fractiestandpunt had gestemd, zoals Stemerdink en Verspaget wel deden, of zich zoals Valk had onthouden, zat hem nu dwars. Het had net geleken of hij 'om' was. Dat was niet zo. Dat was eigenlijk minder dan ooit zo.