Pakistan trekt zijn troepen niet terug

NEW DELHI, 30 jan. - De Pakistaanse regering van premier Nawaz Sharif heeft gisteren laten weten dat de Pakistaanse troepen die zijn gestationeerd in Saoedi-Arabie niet zullen worden teruggetrokken ondanks toenemende pro-Iraakse betogingen.

Sharif kwam maandag terug van een rondreis door het Midden-Oosten, waarin hij Iran, Turkije, Syrie, Jordanie, Egypte en Saoedi-Arabie bezocht in een poging te bemiddelen in de Golf-oorlog. “Ik heb hoop op vrede”, zei de premier na terugkeer, maar hij trad niet in detail.

Zijn woordvoerder Rashid Ahmed zei gisteren dat Pakistan doorgaat met pogingen te zoeken naar een einde van de oorlog. Islamabad is voor een islamitische oplossing via de Islamitische Conferentie Organisatie, die 46 lidstaten telt.

Politici van oppositiepartijen en fundamentalische moslims hebben de regering in Islamabad onder grote druk gezet zijn standpunt te wijzigen en de zijde van Irak te kiezen. Pakistan heeft naar schatting 11.000 man grondtroepen gelegerd in Saoedi-Arabie en tegenstanders van de regering dringen er op aan de militairen terug te halen. “ Daar kan geen sprake van zijn”, aldus Ahmed in een reactie. Maar ministers en regeringsadviseurs hebben in de wandelgangen wel al gezegd dat Pakistan zijn inzet nader zal bepalen indien Israel aan de oorlog deelneemt.

In Pakistan heeft steeds veel sympathie bestaan voor Saddam Hussein. Drie weken na de inval van Irak in Koeweit, in augustus, richtte een voormalige majoor van het Pakistaanse leger in Lahore, hoofdstad van de provincie Punjab, een bureau op waar vrijwilligers zich konden melden om mee te vechten aan de zijde van Irak. Een grote poster van Saddam kwam boven de ingang, voorzien van groene lampjes die het beeld 's nachts verlichtten.

De majoor zei dat hij meteen al 500 aanmeldingen binnenkreeg, grotendeels voormalige militairen. Voor de majoor was de actie een vorm van protest tegen het standpunt van zijn regering. De majoor had daarvoor een baan als adviseur van jonge Pakistanen die in het leger wilden en als zodanig beschikte hij over goede contacten met hoge militairen die het ook niet eens waren met hun regering.

Na het uitbreken van de oorlog op 16 januari ontstonden overal in het land kantoortjes waar vrijwilligers zich konden opgeven. En er kwamen steeds meer stalletjes waar posters van Saddam als enige handelswaar werd aangeboden. Met name de foto van de Iraakse leider waarop hij geknield bidt tegen de achtergrond van een gevechtsvliegtuig is zeer geliefd.

Een radicale religieuze partij, de Jamat-i-Tulba, zorgde voor een verdere verspreiding van het propagandamateriaal en was kennelijk zo succesvol in het werven van mensen in de grote steden - mannen, vrouwen en kinderen, studenten en Afghaanse vluchtelingen - dat de regering zich gedwongen zag in Punjab en in de provincie Sind maatregelen te nemen; de propaganda werd verboden.

In de noordwestelijkes provincies, grenzend aan Afghanistan mag het werven van vrijwilligers en de verkoop van posters nog wel doorgaan. De leiders van de pro-Iraakse acties daar zeggen dat zich al meer dan 100.000 mensen hebben opgegeven om met Irak tegen de geallieerden te vechten. Ze hebben zelfs al contact opgenomen met de Iraanse ambassade in Islamabad om dat land te vragen doorgang te verlenen naar Irak. Zelfs als Iran hiervoor toestemming zou geven is het onwaarschijnlijk dat de Pakistaanse regering hen zal laten gaan.

In veel Pakistaanse dorpen is de oorlog in de Golf gereduceerd tot een strijd tussen moslims en ongelovigen, waarbij Saoedi-Arabie in het kamp der ongelovigen wordt geplaatst. Dit is zeer opmerkelijk aangezien de goed islamitische Saoediers de afgelopen jaren Pakistan ruim van financien hebben voorzien. Irak verkondigt daarentegen al jaren een wereldlijke, zelfs socialistische ideologie die in principe ver af staat van de opvattingen van Pakistaanse dorpelingen over de ondeelbaarheid van staat en godsdienst.

    • Bernard Imhasly