EMU: omgekeerde verhaal van de tien kleine negertjes

ROTTERDAM, 30 JAN. Het debat over de Europese munt begint te lijken op het verhaal van de tien kleine negertjes in omgekeerde volgorde.

Eerst was er een plan voor een gemeenschappelijke Europese munt. Toen kwam er een voorstel bij, en nog een en nu zijn het er al vijf.

De onderhandelingen over de Economische en Monetaire Unie in de Europese Gemeenschap zijn deze week in ernst begonnen. Frankrijk en Spanje presenteerden hun blauwdruken voor EMU. Daarvoor had Groot-Brittannie al een plan voor monetaire eenwording gelanceerd, heeft de Europese Commissie een ontwerpvoorstel voor EMU op tafel gelegd en hebben de centrale bankiers van de twaalf EG-landen de ontwerpstatuten voor een Europese centrale bank opgesteld.

Ondanks de schijn van eensgezindheid over het doel van een munt, wijken deze vijf voorstellen op een subtiele manier van elkaar af. De verschillen draaien om drie fundamentele punten: de politieke zelfstandigheid van de toekomstige Europese centrale bank, de normen voor begrotingsdiscipline die in het EMU-verdrag opgenomen worden en de zeggenschap over het wisselkoersbeleid van de toekomstige gemeenschappelijke munt. Naarmate de economische situatie in Europa onzekerder wordt, beginnen landen terug te krabbelen van hun aanvankelijk beleden enthousiasme voor een munt.

Voor een deel gaat het debat over de vraag hoe de EG de overgangsfase naar een gemeenschappelijke munt zal invullen. Want al ligt het einddoel voor elf van de twaalf landen vast - de uitzondering is Groot-Brittannie - de weg daarna toe is omstreden. Dit zijn de belangrijkste verschillen tussen de vijf voorstellen die nu bij de onderhandelingen op tafel liggen. De twaalf presidenten van de Europese centrale banken hebben ontwerpstatuten goedgekeurd voor een toekomstige Europese centrale bank. Zij gaan uit van een munt die wordt uitgegeven door een politiek onafhankelijk stelsel van Europese centrale banken dat als hoofdtaak heeft te zorgen voor prijsstabiliteit. Een belangrijk punt waarover meningsverschil is blijven bestaan, betreft de vraag wie verantwoordelijkheid heeft over het externe wisselkoersbeleid van de Europese munt: de centrale bank of de ministers van financien. Groot-Brittannie heeft een voorstel ingediend voor een 'harde' ecu. Deze munt moet naast de bestaande valuta van de twaalf EG-landen worden ingevoerd en het beheer erover wordt opgedragen aan een Europees Monetair Fonds met beperkte bevoegdheden. Deze dertiende, inflatiebestendige munt moet altijd sterker zijn dan de sterkste bestaande Europese munt. De Britten sluiten niet uit dat deze harde ecu zich geleidelijk zal ontwikkelen tot de enige, gemeenschappelijke Europese munt. Of dit gebeurt, zal worden overgelaten aan de financiele markten. De Europese Commissie heeft een ontwerptekst voor een EMU-verdrag gepresenteerd bij het begin van de zogeheten Intergouvernementele conferentie in december vorig jaar in Rome. [Deze conferentie is bedoeld om het EG-verdrag te wijzigen, een wijziging die nodig is voor het overhevelen van nationale monetaire bevoegdheden naar de EG].

De verantwoordelijkheid voor het wisselkoersbeleid wordt gelegd bij de ministers van financien en niet bij de onafhankelijke centrale bank. De overgangen naar Fase II, waarin de Europese centrale bank zal worden opgericht, en naar Fase III, waarin sprake zal zijn van een munt, zijn niet gebonden aan harde inhoudelijke voorwaarden. Uiteindelijk zullen politieke beslissingen de doorslag geven. Frankrijk is deze week in Brussel opgeschoven in de richting van het Britse plan voor een harde ecu. Verder wil Frankrijk de politiek een stevige zeggenschap geven in monetaire zaken. De Raad van ministers van financien moet controle over het monetaire beleid krijgen en een congres, samengesteld uit leden van nationale parlementen en het Europarlement, moet het economische en monetaire beleid van de EG beoordelen. Spanje kwam deze week in Brussel eveneens met een voorstel. Daarin wordt het Britse plan van een harde ecu aangepast: in plaats van een nieuwe ecu uit te brengen, stelt Spanje voor om de bestaande ecu een zwaarder gewicht te geven. De ecu - de Europese rekeneenheid samengesteld uit de twaalf bestaande EG-valuta - heeft nu nog een beperkte commerciele betekenis. Spanje wil van de huidige ecu de kiem maken van de toekomstige gemeenschappelijke Europese munt.

Voor Nederland en Duitsland zijn vier van deze plannen eigenlijk onaanvaardbaar. Alleen de ontwerpstatuten voor de Europese centrale bank onderschrijft Nederland. De Nederlandse bezwaren worden gedeeld door het ministerie van financien en door De Nederlandsche Bank.

Ook de Duitse Bundesbank heeft grote bedenkingen tegen essentiele onderdelen van deze plannen. Karl Otto Pohl, de president van de Bundesbank, de Duitse centrale bank, liet vorige week in Den Haag tijdens een rede in de Ridderzaal doorschemeren dat monetaire eenwording op basis van politieke compromissen van hem niet zo nodig meer hoeft.

De Duits-Nederlandse bezwaren richten zich tegen de hybride situatie die kan ontstaan als in 1994 een Europese centrale bank (of een Monetair Fonds, in de Britse plannen) wordt opgericht die nauwelijks bevoegdheden heeft, terwijl de nationale centrale banken nog volop zeggenschap hebben over hun eigen valuta. Verder eisen beide landen dat de Europese centrale bank de volledige verantwoordelijkheid voor het wisselkoersbeleid zal krijgen zonder politieke inmenging.

Frankrijk en Duitsland verschillen al jaren van mening over de vraag of het monetaire beleid prioriteit moet geven aan stabilisatie van de wisselkoers of aan prijsstabiliteit. De Duitsers kiezen voor het laatste, de Fransen willen keer op keer wereldomspannende afspraken voor stabiele wisselkoersen maken.

Ten slotte eist zowel Nederland als Duitsland garanties voor de beheersing van nationale begrotingstekorten. Ze zijn van mening dat pas tot een gemeenschappelijk begrotings- en monetair beleid kan worden overgegaan, als sprake is van verregaande afstemming van het beleid tussen de twaalf EG-landen.

Daarvan is vooralsnog geen sprake. Een treffende illustratie van de gevaren die monetaire eenwording met zich kan meebrengen, werd deze week geleverd. Met grote tegenzin stemden de EG-ministers van financien in met een lening aan Griekenland van 2, 2 miljard ecu (5, 1 miljard gulden), zonder dat hieraan harde voorwaarden voor sanering van zijn overheidsfinancien zijn verbonden. Een vorige EG-lening aan Griekenland is weggegooid geld geweest. De EG doet in dit geval precies wat dreigt bij een slecht georganiseerde EMU: opgrond van politieke overwegingen een land met een slecht economisch beleid redden als het failliet gaat.