Een en ander

Een Pie-O-Double-Joe dus. Oftewel een Em-Ie-Ee na zijn promotie - pardon, na zijn herclassificatie.

De bureaucratie van de oorlog. De psychologie van de oorlog. De taal van de oorlog.

Bezwerende afkortingen, neologismen, eufemismen - het is misschien niet overbodig er in deze dagen opnieuw bij stil te staan hoezeer de taal de oorlogsbureaucratie weerspiegelt, hoe intensief ze de oorlogspsychologie haar dienst bewijst.

De Pie-O-Double-Joe valt in het oorlogswoordenboek onder de categorie 'depersonaliserende acroniemen'. Een Pie-O-Double-Joe is een gegeven, geen mens. De term klinkt weliswaar exact en zakelijk, maar heeft de werkelijkheid intussen naar een schemergebied verschoven. De magie van de Pie-O-Double-Joe onttrekt de krijgsgevangene aan ons gezicht.

De krijgsgevangene is een sukkel. Alleen de Pie-O-Double-Joe telt mee, want hij is niemand.

We komen zulke acroniemen en uit lettergrepen bestaande woordvormingen altijd tegen bij zaken die niet buiten een zekere anonimiteit kunnen omdat de waarheid onsmakelijk is of niet lekker ruikt en die toch in de propaganda en de reclame om een keiharde uitstraling vragen: bij riskante geneesmiddelen, bij duistere handelsbedrijfjes, bij bloederige wapensystemen en oorlogsoperaties. We komen ze in onze verbureaucratiseerde en verpolitiekte taal natuurlijk overal tegen, maar bij dit soort zaken van schijn en wezen welhaast massief en onontkoombaar.

De oorlog, dat meest riskante, duistere en bloederige spel van verpakking en inhoud, kent niet alleen een keur van afkortingen en nieuwe woordklonters die een wereld moeten suggereren van wetenschappelijke orde, doelmatigheid en robuustheid, de oorlog beschikt over een complete taal van zichzelf, over een geheel eigen woordenboek.

Een taal waar de agressie, de vernietiging en de mensen - en wie kan zonder die drie elementen oorlog voeren? - zorgvuldig uit zijn weggezuiverd.

Een agressieve luchtaanval, zegt u? Tut-tut. Een actieve lucht-defensie, bezweren u de generaals.

Niks aanval, niks agressie.

Defensie slechts. Op positief-actieve wijze.

Een weliswaar verwoestende, maar niet-nucleaire raketkop? Tut-tut. Een conventioneel wapen. Een hevige schietpartij in de frontlinies? Tut-tut. Een grensincident. Een stiekeme verrassingsaanval? Tut-tut. A pre-emptive strike. Een bunkercommando dat een projectiel met drie ton explosieven in een bemande straaljager boort? Tut-tut. Een Ground to Air Encounter. Een gewonde of een dode? Tut-tut. Een casualty. Honderden gewonden en doden? Tut-tut. Een nog onbekend aantal casualties.

Een gasmasker? Een hoofd-georienteerde zelfbeschermings-unit, zult u bedoelen.

De oorlogstaal is ontwijkend, hoffelijk en schoon, kortom, alles wat een oorlog niet is. Haar functie is het depersonaliseren van individuele deelnemers door statistische formules, het gladstrijken van oplaaiende toevalligheden door generalisaties, het vermenselijken juist weer van de catastrofe door vertrouwde klanken en koosnamen. De meest meedogenloze anti-raket-raket tot op heden heet de Patriot. Piloten dopen met een kwastje verf hun bommenwerpers om tot Susan, Evelyn of Gretchen, al naar gelang hun geliefde heet.

Het verbaal opkalefateren van vernedering en vernietiging, dat is - al met al - wat de oorlogstaal beoogt. Wie dezer dagen opnieuw naar de bevelhebbers luistert, van welke zijde ook, hij vergete geen moment dat hij met twee oren dient te luisteren, met twee woordenboeken en twee grammatica's in zijn hoofd.

Binnenkort in onze taalschat te verwachten: het Pee-Gee-Es, oftewel het Post-Golf-Syndroom.