Een dure vriendschap voor Jordanie

Jordanie moet een hoge prijs betalen voor haar hartelijke relatie met Saddam Hussein. De economie van het land loopt grote schade op door het VN-embargo tegen Irak. De haven van Aqaba ligt stil. Wanneer de aangelegde voorraden zijn uitgeput, zal de crisis in alle hevigheid toeslaan.

Behalve fietsen van het merk Baghdad nemen vooral gasmaskers een prominente plaats in achter de ramen van het Iraqi Trade Centre in de Jordaanse hoofdstad Amman. Twee verschillende soorten liggen er met extra filters en andere attributen. “U mag er wel even naar kijken, meneer, maar helaas kan ik u op het ogenblik niets leveren omdat de grens tussen Jordanie en Irak is gesloten”, zegt de beheerder van de zaak.

Het is niet de enige zaak in Jordanie die moeilijke tijden doormaakt. Veel winkelcentra waar het van de zomer nog een drukte van belang was, maken nu een uitgestorven indruk. Sommige winkels nemen niet eens meer de moeite hun deuren te openen en wachten tot er betere tijden aanbreken.

“De mensen hier zijn zeer bezorgd. Ze kopen haast niets meer”, zegt een verkoopster in een grote zaak voor dameskleding, waar zich op dat moment geen enkele klant bevindt.

“We maken nog net geen verliezen, maar onze omzet is sinds augustus met ruim veertig procent gedaald”, aldus de beheerder van een elektronica-zaak in het centrum van Amman. “Gelukkig kopen de mensen nog wel reserve-onderdelen en batterijen en dat soort zaken, maar vrijwel niemand schaft op het ogenblik nieuwe apparaten aan.” Hij voegt er aan toe dat het ook steeds moeilijker wordt om nog nieuwe spullen aangeleverd te krijgen, vooral als die uit het buitenland moeten komen.

De Jordaanse economie is zwaar getroffen door het avontuur van Saddam Hussein in Koeweit. Volgens het ministerie van financien is het bruto nationaal produkt van Jordanie de afgelopen vijf maanden met acht procent gedaald. Westerse diplomaten in Amman achten dat nog een rijkelijk optimistische schatting. Volgens hen ligt het cijfer eerder bij dertig procent, zo niet meer.

De economie van het slechts ruim drie miljoen inwoners tellende Jordanie is altijd zeer kwetsbaar geweest. Zijn relatieve welvaart van de afgelopen twee decennia had het land vooral te danken aan de bloei van de oliestaten aan de Golf. Zelf bezit Jordanie geen olie van betekenis en afgezien van aanzienlijke hoeveelheden fosfaat ook geen andere bodemschatten.

Op verschillende manieren heeft Jordanie echter een behoorlijk graantje kunnen meepikken van de enorme rijkdommen van de oliestaten. Honderdduizenden Jordaniers, vooral van Palestijnse komaf, trokken naar de Golfstaten om daar te werken als goedkope arbeidskrachten. Deze gastarbeiders sturen elk jaar voor bij elkaar honderden miljoenen dollars naar hun familieleden in Jordanie.

Verder kon Jordanie rekenen op gulle ontwikkelingshulp van de Arabische oliestaten. In het begin van de jaren tachtig waren de overboekingen van de gastarbeiders en de ontwikkelingshulp samen goed voor niet minder dan tweederde van het hele Jordaanse BNP. De economie in het land groeide tussen 1973 en 1981 gemiddeld met ruim negen procent per jaar.

In een recent artikel over Jordanie in het gezaghebbende Amerikaanse tijdschrift Foreign Affairs schreef de journalist Stanley Reed dat de tot dan nogal slaperige hoofdstad Amman zich in die tijd zo snel uitbreidde dat sommige straten in de nieuw opgetrokken wijken nog steeds geen naam hebben.

Een ander teken van de grote voorspoed in de hoofdstad was dat de Mercedes een van de meest voorkomende automerken werd, al ging het dan ook in de meeste gevallen om tweedehands exemplaren.

Ook nu nog geldt dat iemand - of hij nu in het bedrijfsleven of voor de regering werkt - pas meetelt wanneer hij een blinkende Mercedes voor de deur heeft staan. Bij voorkeur wordt deze zelfs midden op het trottoir geparkeerd opdat de voorbijgangers het gewicht van de eigenaar ten volle beseffen.

De regering zat in de ongekende bloeiperiode van de jaren zeventig en het begin van de jaren tachtig niet stil en probeerde de welvaart te bestendigen door de infrastructuur in het land aanzienlijk te verbeteren en het onderwijs op te krikken. Daarnaast gaf ze echter ook veel uit aan defensie.

Pag. 21: .

'Jordaniers koesteren bittere gevoelens over VN-embargo'

In de jaren tachtig deed zich een belangrijke verandering voor in de orientatie van de Jordaanse economie. Dit was een uitvloeisel van de oorlog die de Iraakse leider Saddam Hussein was begonnen tegen zijn buurstaat Iran. Irak kon al spoedig zijn importen niet meer via de Golf aanvoeren en schakelde daarom over op de Jordaanse hoofdstad Aqaba. Vandaar werden de goederen per vrachtauto naar Irak getransporteerd.

Tijdens de acht jaar durende oorlog tussen Irak en Iran nam Bagdad ook in toenemende mate de produkten af van de ontkiemende Jordaanse industrie. Na enige tijd formaliseerden beide landen de handel met een pact. Hierbij verstrekte de Jordaanse regering kredieten om produkten aan Irak te leveren en Bagdad zou in ruil hiervoor goedkope olie leveren aan Jordanie en bovendien een bedrag van zo'n twaalf miljoen dollar per maand betalen. Jordanie heeft trouwens nog altijd uit die tijd stammende vorderingen op Irak ter waarde van enkele honderden miljoenen dollars. Amman laat dit geld niet graag schieten door Saddam tegen zich in het harnas te jagen.

Afgezien van de fosfaten nam Irak in 1989 niet minder dan veertig procent van de Jordaanse uitvoer af. Koeweit was in deze periode uitgegroeid tot de op een na grootste handelspartner van Jordanie.

Aan het einde van de jaren tachtig werd Jordanie er op pijnlijke wijze aan herinnerd hoe afhankelijk het nog van de oliestaten was. Toen de groei daar als gevolg van lagere olieprijzen afnam, raakte Jordanie meteen in moeilijkheden. De Jordaanse munt, de dinar, moest in 1988 fors devalueren. De staatsschuld groeide tot maar liefst acht miljard dollar.

Jordanie zag zich genoodzaakt een beroep op het Internationaal Monetair Fonds te doen. Het harde aanpassingsprogramma van het IMF was mede verantwoordelijk voor de ernstige onlusten in het zuiden van Jordanie in 1989.

Juist toen Jordanie weer wat uit dit dal was gekropen en pogingen in het werk stelde om zijn exportmarkten meer te verspreiden, brak de Golfcrisis uit. Het duurde niet lang of de Verenigde Naties kondigden een embargo af tegen Irak. Dit hield onder andere in dat er streng toezicht kwam op de importen voor Irak via Aqaba. Ook leveranties voor Jordanie zelf werden fors getroffen.

“De Jordaniers koesteren bittere gevoelens over de sancties van de VN. Het lijkt wel alsof ze tegen Jordanie zijn gericht”, zegt doctor Raouf Abu Jaber, die behalve zakenman ook honorair consul voor Nederland is. Abu Jaber zelf wacht intussen al vier maanden op twee containers die steeds weer stranden op de marineschepen van de geallieerden.

De haven van Aqaba is op het ogenblik geheel uitgestorven. Kwam er voor het uitbreken van de oorlog af en toe nog wel eens een schip binnen, nu gebeurt ook dat niet meer. De reden hiervoor is - nog afgezien van het VN-embargo - dat veel reders het niet meer aandurven schepen naar de oorlogszone te sturen.

De verzekeringspremies voor schepen die naar Aqaba willen, zijn bovendien meer dan vertienvoudigd.

De wantrouwende houding jegens Jordanie van de geallieerden is ingegeven door de hartelijke betrekkingen tussen Irak en Jordanie. Weliswaar houdt Jordanie vol het embargo tegen Irak goed na te leven, maar deze toezegging is steeds met een korrel zout genomen.

Inderdaad staat vast dat Irak geheel voorziet in de Jordaanse oliebehoefte. De eerlijkheid gebiedt echter te zeggen dat Amman ook nauwelijks meer een alternatief had, nadat Saoedi-Arabie zijn olieleveranties aan Jordanie in september had gestaakt uit woede over de Jordaanse opstelling tegenover Saddam. Tankauto's brengen sindsdien de Iraakse olie naar Jordanie. Of deze transporten nog lang zullen doorgaan is de vraag. De weg naar Jordanie is aan Iraakse kant volgens reizigers al vrijwel onbruikbaar geworden door luchtbombardementen van de coalitie tegen Irak. Waarnemers in Amman zeggen dat Jordanie nog wel voor enkele maanden olievoorraden heeft maar als de crisis langer duurt, zou het voor grote problemen komen te staan.

Jordanie kan zijn uitvoer niet meer kwijt. Jordaans fruit dat naar Koeweit placht te gaan, kan daar niet meer heen, terwijl ook de export van industriele produkten naar Irak vrijwel geheel tot stilstand is gekomen. Er wordt zonder twijfel vanuit Jordanie het een en ander gesmokkeld naar Irak maar Westerse diplomaten in Amman menen dat het niet om grote hoevelheden gaat.

Importeren is eveneens zeer moeilijk geworden. Aqaba zit dicht, het vliegverkeer blijft beperkt tot enkele passagiersvluchten waardoor slechts de landroute via Syrie overblijft. Hier komt nog bij dat Jordanie ook niet meer over de valuta beschikt om op grote schaal goederen te importeren.

De koersen van de aandelen op de bescheiden beurs van Amman zijn gekelderd. “De prijzen van veel aandelen zijn in veel gevallen met meer dan de helft gedaald”, klaagt Walid Khatib van de Jordaanse Kamer van Koophandel. Veel fabrieken werken nog maar op de helft van hun normale capaciteit.

De werkloosheid is de laatste maanden met sprongen gestegen. Was die voor augustus zo'n vijftien procent, nu bedraagt zij volgens ingewijden zeker dertig procent. De stijging is vooral veroorzaakt door de terugkeer van ten minste 150.000 Palestijnse Jordaniers uit Koeweit en de Golfstaten.

Ondanks deze moeizame omstandigheden wekt Jordanie tot dusverre niet de indruk van een land dat een diepe crisis doormaakt. De verklaring hiervoor ligt in het feit dat Jordanie van veel zaken - vooral van levensmiddelen en van olie - een behoorlijke voorraad heeft aangelegd. Wanneer deze pot echter is verteerd, zal de crisis pas in alle hevigheid toeslaan.

De Jordaanse regering probeert intussen uit alle macht zich zo veel mogelijk in te dekken tegen verdere rampen. Zij vestigt haar hoop daarbij vooral op de Europese Gemeenschap. Van de Verenigde Staten - vroeger een steunpilaar van koning Hussein - valt voorlopig weinig te verwachten. Washington acht Jordanies nauwe banden met Irak onvergeeflijk.

De EG lijkt Amman echter niet teleur te stellen. Brussel heeft Jordanie vorige week bevestigd dat het hulp ter waarde van 150 miljoen ECU wil geven, terwijl veel EG-landen ook bilateraal nog eens geld of kredieten hebben beloofd. De Duitsers spannen wat dit betreft de kroon met steun van 200 miljoen mark. Nederland trok in november een bedrag van 31 miljoen gulden uit voor hulp aan Jordanie.

Dit lijkt alles bijeen veel geld, maar het is nog ver verwijderd van de schadepost van anderhalf miljard dollar die Jordanie volgens schattingen van de Wereldbank als gevolg van de Golfcrisis per jaar zou lijden. Naarmate de oorlog voortduurt, zullen de Jordaniers de broekriem snel strakker moeten aantrekken.

    • Floris van Straaten