Bonn sloeg waarschuwingen voor export Irak in de wind

BONN, 30 jan. - Duitse wapens voor Irak, Duitse militaire know how voor Saddam Hussein? Jarenlange hulp bij het ontwikkelen van gifgas, van biologische strijdmiddelen, ja zelfs bij een inmiddels bijna voltooide Iraakse aanloop naar het kernwapen? Duitse ingenieurs die oude Russische Scuds helpen omtoveren tot raketten die nu Tel Aviv, Haifa en Jeruzalem kunnen treffen? Libies Gaddafi en zijn collega in Bagdad samen dankbaar jegens Germania Gasmania, zoals woedende Israelische demonstranten het samenvatten?

Zo is het echter, de regering in Bonn ontkent het ook niet (meer). De Duitse wereldkampioen export heeft weliswaar in de jaren tachtig kwantitatief maar een bescheiden rol gespeeld bij de militaire tuning van Saddam Hussein, zoals uit bijgaand staatje blijkt. Dat is zeker zo in vergelijking met de Sovjet-Unie, Frankrijk of de Chinese Volksrepubliek. Maar, rampzalig en ongelooflijk als het in historisch opzicht mag zijn, kwalitatief is het beeld dramatisch anders.

Kwalitatief hebben een serie Duitse bedrijven en bedrijfjes en individuele wetenschappers Saddam H. te Bagdad namelijk meer bij de verwerkelijking van zijn ABC-aspiraties geholpen dan wie ook.

Zodoende staat bijna overal het verenigde Duitsland nu te kijk als historisch onverbeterlijk en-of industrieel gewetenloos. Want factoren als 'toeval' of 'nonchalance', als die al excuserend in plaats van verklarend zouden kunnen zijn, hebben zeker in de retrospectie van vandaag weinig kans. En de wetenschap dat het Westen in de jaren tachtig lange tijd in Saddam Hussein de vijand van de nog gevaarlijker vijand Iran zag, aan wie de internationale wapenindustrie winstgevende conclusies mocht verbinden, is nu ook een wetenschap van gisteren.

De Westduitse regering heeft nooit zo goed opgelet en ruim een decennium heel wat waarschuwingen in de wind geslagen. Om de zoveel weken een onthulling in het weekblad Der Spiegel, zorgelijke tips, ooit uit Israel (Osirak-kernreactor bij Bagdad), later uit Washington (chemisch complex bij Rabta), onmiskenbare signalen uit de wereld van het eigen chemische of industriele bedrijfsleven - het hielp allemaal vrij weinig. De leveranties richting Irak van medische laboratoria of van nieuwe pesticiden-fabrieken, hoe wonderlijk naar aard en omvang ook, bleven tamelijk ongecontroleerd van het vliegveld Frankfurt naar Irak vertrekken, of anders naar 'tussenstations' (zoals Brazilie of Italie).

Soms waren zulke leveranties zelfs voorzien van export-kredietgaranties van de regering in Bonn. Wat dat betreft is de dezer dagen weer aangekondigde verdere verscherping van de wetgeving al bij voorbaat een wassen neus als de kritische nieuwsgierigheid van de Duitse overheid en haar onderbezette controle-organen niet verbetert. Dilemma: hoe goed kijkt een wereldkampioen export naar wat het land uitgaat?

De regering van de vroegere DDR, de nu ter linkerzijde in West-Europa soms zo betreurde staat, lette juist heel goed op, die wilde niet anders. Een Leipzigse hoogleraar bijvoorbeeld, die in 1972 geschokt van een wetenschappelijk symposium in Bagdad terugkeerde met de mededeling dat Irak uitdrukkelijk van plan was om chemische en bacteriologische wapens te ontwikkelen om daarmee uiteindelijk de staat Israel te kunnen vernietigen, meldde dezer dagen op de Duitse televisie dat op zijn rapportage in Oost-Berlijn slechts stilte was gevolgd. Hij had zijn geschoktheid trouwens weer vrij snel afgelegd en verder wetenschappelijk gedaan wat zijn regering tussen Oost-Berlijn en Bagdad nodig vond.

De DDR had van 1976 tot 1986 bij Bagdad zelfs een kampement ('Klein Storko') van de Nationale Volksarmee (NVA) ingericht om Iraakse militairen met chemische oorlogvoering vertrouwd te maken. Minister Genscher, die nu namens alle Duitsers spreekt, zei vorige week in Israel dat hij zich “schaamt”. Hij had er als minister van buitenlandse zaken en als FDP'er ook wel reden toe. Want het is juist het sinds 1972 onafgebroken door de FDP bezette Westduitse ministerie van economische zaken dat door een groot deel van de blaam wordt getroffen. Dat ministerie geeft uitvoervergunningen en is ook verantwoordelijk voor het toezicht op de geexporteerde waar.

Het is in het bestek van dit stuk ondoenlijk om alle Duitse bedrijfjes en bedrijven te noemen die, soms nog na de afkondiging van het VN-embargo tegen Irak van vorig najaar, in de grijze of geheel illegale zone hun lucratieve zaken met hun gretige klant in Bagdad deden. Dat gaat bijvoorbeeld van de Water Engineering Trading (WET) te Hamburg tot de Karl Kolb GmbH in Dreieich, van de firma Inwako te Bonn tot de NV Havert te Neu Isenburg. Enzovoort. Om er dan een paar te noemen, waarbij nu, in 1991, enkele honderden kilo's bewijsmateriaal in beslag zijn genomen en wier vertegenwoordigers over een paar maanden voor de Duitse rechter moeten verschijnen op verdenking van hulp, ten behoeve van de Iraakse centra Samara en Falludsha, bij de vervaardiging van zenuwgassen of de granaten voor het afvuren daarvan. Hulp uit het land van het mosterdgas uit de Eerste Wereldoorlog en het Cyclon B van de Tweede.

Nu eens waren het kleine gespecialiseerde firma's, dan weer waren het dochters of dochters van dochters van bekende grote ondernemingen (MBB, Thyssen en Hochtief bijvoorbeeld). Af en toe ging het om nijvere handelslieden die zich, dank zij bruikbare connecties en expertise uit de vorige betrekking, zelfstandig op de ABC-markt van Saddam Hussein konden bewegen.

Aan deze geschiedenis hebben twee redacteuren van Der Spiegel, Hans Leyendecker en Richard Rickelmann, een pocketboek gewijd: 'Exporteure des Todes, Deutscher Rustungsskandal in Nahost' (Steidl Verlag, Gottingen, DM 9, 80). Eigenlijk hebben zij in dat boekje samengevat wat vooral hun weekblad jarenlang heeft bericht aan de lezers uit het land van Krupps dicke Berta, het zeer ver dragende Duitse geschut uit de Eerste Wereldoorlog, het land dat Saddam Hussein per 'superkanon' aan een eigentijdse achterneef had willen helpen. Dat is niet gelukt omdat nog net op tijd de douane op Westeuropese doorvoerstations (Athene en Londen, vorig najaar) actief werd tegen het project (codenaam: PC2, of 'Babylon'). En bovendien omdat, vermoedelijk door tussenkomst van de Israelische geheime dienst (Mossad), de Britse ontwerper van dit enorme tuig, Gerald Vincent Bull, in mei vorig jaar in zijn Brusselse woning om zeep werd geholpen.

In 'snelle' maar overzichtelijke hoofdstukjes schetsen de auteurs hoe industrieel-ingenieus, moreel-onbegrijpelijk en commercieel-effectief Duitse en andere Westelijke leveranciers Saddam Hussein en zijn agenten-net bedienden. En hoe bijvoorbeeld de BND, de Westduitse inlichtingendienst, actieve medewerkers aantrok uit de wereld van de handeldrijvende wetsovertreders zonder precies te weten wat zij eigenlijk in hun hoofdberoep deden.

Voorts hoe Irak, nadat midden jaren tachtig gebleken was dat het als staat in de grijze zone van de dubieuze leveranties vaak weinig kans had, vervolgens de acties 'decentraliseerde' en zich met veel succes via mantelfirma's inkocht in interessante Duitse, Britse en Amerikaanse bedrijven. Een van de centrale coordinatoren: Saddam Husseins schoonzoon die precies wist wat zich tussen Iraakse internationale mantelfirma's en Iraakse diplomatieke vertegenwoordigingen afspeelde.

Er staan ontnuchterende kleine voorbeelden van het afgewende hoofd van de industrie en de overheid in het boekje. In mei 1989 bijvoorbeeld krijgt het Duitse bedrijf Friedberg in Hessen (laboratorium-techniek), partner van Bagdad sinds 1971 en juist doende een onschuldig ogend assortiment in de sector bacteriologische wapens samen te stellen, kritische vragen van een Britse onderaannemer over wat men daar in Irak wel mee van plan zou zijn. Prompt kwam desgevraagd uit de Iraakse hoofdstad een verklaring dat de levering niet voor de ontwikkeling van chemisch-biologische wapens maar van pesticiden bestemd was. De verklaring, nota bene getekend door een handvol Iraakse generaals en verzonden door het ministerie van defensie te Bagdad, hielp het Britse bedrijf uit zijn zorgen en weerhield de Duitse douane daarna van nauwkeurige controles.

In hetzelfde televisieprogramma ('Panorama') waarin gisteravond werd bericht dat de Duitse regering van plan is om Israel van modern luchtafweermaterieel te voorzien werd ook gemeld dat de bondsregering destijds de Duitse bijdrage aan de vergroting van het bereik van Iraakse Scud-raketten van 300 tot 800 km (dus tot Israel) heeft bevorderd via kredietgaranties. Ook werd bericht dat Bonn opsporingstanks tegen ABC-wapens van het type Fuchs beschikbaar zal stellen aan Israel. Het was natuurlijk niet de bedoeling, maar auteurs over de Eerste Wereldoorlog als Celine (Mort a credit) en Remarque (Im Westen nichts Neues) liepen onopgemerkt door de uitzending naast Menno ter Braak (De Pantserkrant). .

Waarde en herkomst Iraakse wapenaankopen van 1980 tot 1990 .

(miljoenen dollars, prijzen 1985) .

Sovjet-Unie 13.396 Frankrijk 5.054 China 1.664 Brazilie 1.121 Egypte 1.108 Tsjechoslowakije 614 Jordanie 365 Polen 312 VS 238 Denemarken189 Bondsrepubliek 31 DDR 14