Te knellend

MINISTER BAKER en minister Bessmertnych hebben een verstandig besluit genomen en de topontmoeting tussen Bush en Gorbatsjov, voorgenomen voor volgende maand, uitgesteld.

De gebruikte argumenten zijn ietwat dubieus, maar het zou beide staatshoofden in verlegenheid hebben gebracht als de Amerikaan op visite zou zijn geweest in het Kremlin op een moment dat datzelfde Kremlin op zijn bekende wijze orde op zaken stelt. Bovendien, Bush zou zich voortdurend hebben moeten afvragen of zijn gesprekspartner nog wel de ware vertegenwoordiger van de macht in de Sovjet-Unie was.

Twee redenen zijn aangevoerd voor het uitstel tot later in het eerste halfjaar van 1991. Als eerste reden werd genoemd de oorlog in de Golf. Zeker, die oorlog vraagt van de Amerikaanse president en zijn entourage extra aandacht en energie. Maar een bezoek aan Moskou zou een schitterende gelegenheid zijn geweest om de hele wereld duidelijk te maken, Saddam Hussein incluis, dat de vorig jaar september in Helsinki met betrekking tot de Iraakse agressie gedemonstreerde eensgezindheid nog ongebroken is. De kanttekeningen van Bessmertnych dat oorlog altijd riskant is, missen die overtuigingskracht.

De tweede reden is gelegen in het hoofdstuk van de strategische raketbewapening, ooit de belangrijkste katalysator voor ontmoetingen in het diplomatieke hooggebergte. Er waren nog wat technische problemen, vandaar dat een afsluitend gesprek tussen de presidenten en het plaatsen van de handtekeningen nog niet opportuun waren. Ook dit argument had in omgekeerde richting kunnen worden gebruikt. Ten slotte, indien de deskundigen hun geharrewar over details niet kunnen doorbreken, moet de politieke drijfkracht worden opgebracht door de verantwoordelijke leiders. Maar achter het argument van nog openstaande technische vragen schuilt de wetenschap dat de Amerikaanse Senaat onder de gegeven omstandigheden niet happig is op de behandeling en het goedkeuren van wapenbeheersingsverdragen met de Sovjet-Unie. Er is dus ook geen haast met de presidentiele ondertekening.

WASHINGTON IS bezig met wat vroeger wel werd genoemd een 'agonizing reappraisal' (een martelende herwaardering). Aan de vorig jaar nog schitterende samenwerking in de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties blijken ook nadelen te kleven. Het handhaven van de alliantie met de Sovjet-Unie en China ten behoeve van 'de nieuwe wereldorde' dreigt Amerika's buitenlandse politiek in gijzeling te nemen. De beoordeling van daden van de Chinese en meer nog van de Sovjet-regering in het binnenland en ten aanzien van het buitenland moest meer en meer afhankelijk worden gemaakt van de noodzaak de saamhorigheid in stand te houden. Een van de redenen om de boycot van Irak te laten overgaan in een volwassen oorlog was gelegen in de Amerikaanse behoefte zich enigermate van het zelf aangelegde diplomatieke dwangbuis te bevrijden.

Daarmee is overigens nog niet een einde gekomen of zelfs maar aangekondigd aan de door pragmatisme ingegeven gerationaliseerde verstandhouding in de strategische driehoek Moskou-Washington-Peking. De leiders, de gerontocratie in Peking inbegrepen, hebben geen heimwee naar de tijden van het ideologisch gestileerde wantrouwen en de geinstitutionaliseerde xenofobie. Wel is er behoefte aan meer manoeuvreerruimte - ten goede of ten kwade, al naar gelang de waarnemer zich opstelt. Een ontmoeting op de top, inbegrepen de verplichte voor iedereen hoorbare moraliserende toonzetting, zou door beide partijen nu als te knellend zijn ervaren. Tegen de zomer zal er veel duidelijk zijn.