Raketten op Israel zijn groot feest voor Palestijnen; 'Demonstreren helpt niet, we willen resultaat zien'

AMMAN, 29 jan. - In het kruidenierswinkeltje van Naev komen verscheidene mensen even schuilen voor een harde regenbui, die de straatjes in het Palestijnse vluchtelingenkamp Baqa' bij Amman in een ommezien verandert in een grote, gele modderbrij.

Het slechte weer kan het goede humeur van Naev en de mensen in zijn zaak niet bederven. “We zijn zeer blij met de Iraakse raketaanvallen op Tel Aviv. Ik ben er trots op dat er voor het eerst een echte aanval op Israel is uitgevoerd. Gewoonlijk was het andersom en werden de Palestijnen het slachtoffer van Israelische luchtbombardementen. In het kamp hebben we na de eerste aanval uitbundig feest gevierd”, zegt de kruidenier, die zelf oorspronkelijk uit een dorp in de buurt van Tel Aviv komt en sinds 1968 in het kamp Baqa' woont. De anderen in de zaak zijn het hartgrondig met hem eens.

De stemming wordt nog beter wanneer Naev wijst op een kopie van een Saoedisch bankbiljet waarop naast een afbeelding van de heilige Ka'aba in Mekka niet het portret van de Saoedische koning prijkt maar dat van Saddam Hussein. Hoe eerder dit werkelijkheid wordt hoe liever het de meeste kampbewoners is.

De Iraakse leider heeft zich grenzeloos populair gemaakt bij de Palestijnen door Israel te raken. Na ontelbare teleurstellingen in de afgelopen tientallen jaren zijn zij er dolblij mee dat er eindelijk weer eens een Arabische leider is die het tegen Israel durft op te nemen. De afloop van de strijd lijkt hen op het ogenblik minder bezig te houden.

Niet iedereen is overtuigd van de goede bedoelingen van Saddam Hussein. De in Moskou opgeleide arts Nael zegt in zijn weinig steriele behandelkamer: “We geloven echt niet dat Saddam Koeweit is binnengevallen om ons te helpen, maar we hebben al 25 jaar gewacht op een politieke oplossing zonder dat er ooit iets gebeurde. Nu moet er dan maar geweld aan te pas komen.” Met de raketten op burgers in Tel Aviv is hij echter niet blij, evenmin als met de bombardementen op Bagdad.

Op straat, wanneer de regen is opgehouden, zegt een man van een jaar of zeventig met Arafat-achtige stoppels plechtig dat hij met plezier zijn leven zou geven om Saddam Hussein te helpen. “God zal hem de overwinning schenken”, voorspelt hij, de handen ten hemel heffend.

De oude man sleet zijn jonge jaren als boer in het vroegere Palestina. In 1948 vluchtte hij naar de Westelijke Jordaanoever, die hij bijna twintig jaar later weer verliet om zich in het pas geopende kamp Baqa' te vestigen. Voor zijn plezier zit hij hier niet. Hij heeft vier volwassen getrouwde zoons, die allen nog bij hem inwonen. De hele familie moet het stellen met een woning die slechts zestig vierkante meter meet. De UNRWA, de VN-organisatie die de supervisie heeft over de verdeling van de woonruimte in het kamp, heeft voor de zoons geen huizen beschikbaar.

Baqa', dat kort na de Zesdaagse Oorlog verrees, telt op het ogenblik officieel ruim tachtigduizend inwoners, maar in werkelijkheid zijn het er volgens schattingen van medewerkers van lokale hulporganisaties zeker honderdtwintigduizend.

De term kamp is misleidend, in feite ziet het er uit als een chaotische, armoedige buitenwijk die zonder veel planning is opgebouwd. Veel huizen beschikken nog niet over stromend water en elektriciteit. Vergeleken met bijvoorbeeld Afghaanse vluchtelingenkampen zijn de Palestijnse kampen geriefelijk, maar de gemiddelde Palestijn vergelijkt zich niet met Afghanen maar met de mensen in zijn omgeving, in het redelijk welvarende Amman.

Ten minste de helft van de Palestijnen in Jordanie woont overigens helemaal niet in kampen, maar gewoon in dorpen en steden. Zij zijn geheel geintegreerd in de Jordaanse samenleving. In totaal is 60 procent van de Jordaanse bevolking van Palestijnse afkomst.

De Golfcrisis heeft nu al ver strekkende gevolgen voor de bewoners van Baqa' en de andere Palestijnse kampen in Jordanie. Velen waren afhankelijk van het geld dat naar hen werd overgemaakt door familieleden die in Koeweit en andere Golfstaten werkten. In Koeweit alleen al wonen en werken enige honderduizenden Palestijnen. In kringen van de PLO in Amman schat men dat zeker honderdvijftig- tot tweehonderdduizend Palestijnen uit de Golfstaten inmiddels naar Jordanie zijn teruggekeerd. Aangezien de economie van Jordanie de laatste maanden ook flink te lijden heeft gehad van de crisis is ook daar de werkgelegenheid achteruitgehold. De werkloosheid, die in veel kampen toch al zeer hoog was, beloopt nu in sommige gevallen meer dan vijftig procent.

Hier komt nog bij dat Saoedi-Arabie en Koeweit hun vorstelijke steun aan de door de PLO bestuurde instellingen in Jordanie na de inval hebben gestaakt uit woede over de nauwe banden die Yasser Arafat onderhoudt met Saddam Hussein. Ook dit betekent een gevoelig verlies voor de Palestijnen in Jordanie.

Nu de Palestijnen in Jordanie economisch in moeilijkheden raken en tegelijk hooggespannen politieke verwachtingen koesteren, loopt de stabiliteit in het land gevaar. Diplomaten in Amman voorspellen dat het vooral bij een nederlaag van Saddam Hussein tot een uitbarsting van frustraties onder de Palestijnen zou kunnen komen.

Koning Hussein en zijn regering, die zelf overigens ook zijn gebrand op een oplossing van de Palestijnse kwestie, zijn er tot nu toe in geslaagd de orde te bewaren. Sinds het uitbreken van de oorlog zijn er slechts enkele kleine demonstraties geweest van Palestijnen tegen de politiek van de hier intens gehate president Bush. Gevraagd naar de reden van de geringe opkomst bij deze betogingen antwoordt Kamel in het kamp Baqa' verontwaardigd: “Wat hebben wij nou aan demonstraties? Wij willen eindelijk concrete resultaten zien. Wij willen ons land terug.”

    • Floris van Straaten