Overpeinzingen uit een afgeplakte kamer

De sirenes loeien tijdens de eerste raketaanval. De nieuwslezer meldt dat op datzelfde ogenblik ook de inwoners van Saoedi-Arabie en Bahrein zijn opgeroepen naar de schuilkelders te gaan.

Net als wij hebben zij hun gasmaskers opgezet uit angst voor de Iraakse raketten. Ik zit in mijn afgeplakte kamer en kijk naar de vreemde figuren om me heen: mijn familieleden. Wat een rare lotsverbondenheid, zeg ik tegen mezelf, hebben we nu met de inwoners van Saoedi-Arabie, Bahrein en de Emiraten, vrome moslims met een aardig inkomen per hoofd van de bevolking die nu ook moderne Amerikaanse vliegtuigen inzetten in de gemeenschappelijke oorlog in de Golf.

De volgende dag, na de tweede raketaanval, bejubelen de commentatoren het ondubbelzinnige standpunt van Egypte en Syrie over het morele (let wel: morele) recht van Israel om te reageren en hun ondubbelzinnige afwijzing van de Iraakse provocatie, bedoeld om hen mee te sleuren in een oorlog tegen Israel.

Als er al lering kan worden getrokken uit deze vreemde oorlog, die zich zo ver van ons vandaan maar ook zo dicht bij huis afspeelt, dan is het dat het stereotype van een monolitische, eendimensionale, vijandige Arabische wereld is achterhaald. Plotseling warmen we onze vriendschap met Egypte weer op en bewonderen we de politieke ruggegraat van Mubarak. We snappen weer hoe subtiel en hoe diepgaand onze verstandhouding met Jordanie is. Maar de grootste verrassing is het ongeschreven, geheime bondgenootschap dat we ineens met Syrie blijken te hebben. Oorlogsdagen geven alle diplomatieke uitspraken een zekere diepte en emotionele lading die in tijden van vrede niet worden gevoeld. Verstandhoudingen tussen volken in tijden van oorlog, zelfs al is het indirect en alleen met woorden, werken door op de lange termijn, vooral als we ze in de toekomst kunnen handhaven.

Toekomst

Dit is dus het moment om na te denken over de toekomst. Is dat niet wat vroeg, nu er nog steeds raketten worden afgevuurd? Integendeel, de snelle raketten van onze tijd verplichten ook tot snelle reflectie. We leven in een uiterst snelle wereld van moderne communicatiemiddelen. En wee ons als onze regering na afloop van de oorlog in haar afgeplakte kamer blijft zitten, achter het vergeelde cellofaan op deuren en ramen.

Er is een nieuwe lotsverbondenheid ontstaan die er nog nooit is geweest. Tot nu toe waren we bij inter-Arabische conflicten slechts een verre, afzijdige toeschouwer. Dit keer zijn we dankzij de Scuds een actieve deelgenoot geworden van het lot van de regio. Door deze oorlog zijn we deel gaan uitmaken van het gebied waarin we leven. Ons kan niet langer het eeuwige, lastige argument worden voorgehouden dat we eigenlijk een vreemd element zijn. De Saoedi's en Bahreiners, die samen met ons het 'tapirmasker' opzetten, de Egyptenaren en Syriers aan de grens van Koeweit, die angstig uitkijken over de Iraakse tanks, kunnen ons Israeliers zien als streekgenoten, onmiskenbare lotgenoten en misschien ook als deelgenoten van het nieuwe belang dat na afloop van de oorlog zal ontstaan.

Maar nog steeds staat het Palestijnse vraagstuk tussen ons in. Ondanks alle gruwelijke afkeer van Arafat en de zijnen, dood of levend - die niet alleen zakelijk, maar ook moreel een verkeerde keuze hebben gemaakt - kan dit nieuwe, vreemde pact tussen ons en de landen van de coalitie alleen standhouden als het niet wordt vergiftigd door het Palestijnse vraagstuk. En dit is precies het juiste moment om het Palestijnse volk een duidelijk en ruimhartig aanbod te doen. Een serieus voorstel waarvan de geldigheid en oprechtheid alleen aan het volgende criterium kan worden getoetst: als wij in hun schoenen stonden, zouden wij dan bereid zijn ermee in te stemmen?

Haifa

Het had iets bizars en verrassends, de ontdekking van commentator Ehud Ya'ari dat de naam van de raketbases H2 en H3 in West-Irak verband houdt met punten op de oude Iraakse oliepijpleiding, die doorliep tot de haven van Haifa. De geheimzinnige letter H verwijst eenvoudigweg naar mijn geliefde woonplaats Haifa.

Die enige plaatsen in de Iraakse woestijn waar de lanceerinrichtingen van de Scuds staan opgesteld, waren ineens bekend en nabij. Het was dus die oude oliepijpleiding uit de tijd van het Britse mandaat, die rustig en veilig landsgrenzen overschreed en in de schemer van de woestijn de weg wees aan gele kamelen.

Waarom zouden we het verleden van die oude oliepijpleiding niet in ere herstellen met de nieuwe vredesregeling die komen gaat? En er met gulle, creatieve hand nog een H4, H5 en H6 aan toevoegen, helemaal tot in Haifa.

    • A. B. Yehoshua