Onzekere uitgangspunten

Op dit ogenblik is het helemaal niet te zeggen hoe de wereld er na de Golfoorlog uit zal zien. Het is gemakkelijker een doemscenario op te stellen dan een waarin 'les lendemains chantent'. In elk geval lijkt het nogal boud nu al uitspraken te doen over de plaats van Nederland in die wereld.

Toch moet daarover nagedacht worden en dat wordt dan ook op gezette tijden gedaan in de kolom hiernaast. Op 24 maart werd, met de Duitse hereniging in zicht, de vraag gesteld of Nederland zijn 'oude plek' van 'klein centrum middenin de machtsdriehoek Frankrijk, Groot-Brittanie, Duitsland' zou moeten proberen te handhaven. Er werd voorkeur uitgesproken voor een 'plaats tussen Frankrijk en Duitsland'. Engeland telde dus niet meer mee en wat Europa betreft: Nederland mocht niet 'wegzinken in paneuropese denkbeelden'.

Tien maanden later, op 24 januari, kwam het hoofdartikel op het thema terug. Intussen was de crisis en later de oorlog, in de Golf uitgebroken. Europa had daarin 'vernietigend gefaald', en Nederland was per slot van rekening 'aanbeland in het Amerikaanse kamp'. Maar... Amerika is, 'hoe dan ook, een wijkende schaduw'. Dus: kan het Amerikaanse kamp Nederlands blijvende plaats zijn?

Deze keer is het hoofdartikel er minder stellig over dat onze plaats 'tussen Frankrijk en Duitsland' is. De stelling is teruggebracht tot een vraag: “Moet Nederland zich een betere plaats verwerven midden op de as Bonn-Parijs (... ) of moet het blijven flirten met de gedachte van een Angelsaksisch bruggehoofd op het vasteland?”

Het is goed dat het hoofdartikel die vragen stelt, want het ministerie van buitenlandse zaken doet dit niet. Althans: in de laatste memorie van toelichting - en dat is toch de aangewezen plaats voor zulke vragen, zo niet antwoorden - is daar niets over te vinden. Te druk bezet met de dingen van de dag? Of wil men niet het achterste van zijn tong laten zien?

Desgevraagd krijgen we van hochster Stelle te horen dat er helemaal geen probleem is. Immers, de oplossing ligt in de Europese politieke unie. Maar dat is wat de Engelse noemen: begging the question. Het moet nu juist eerst bewezen worden dat die unie er komt! Trouwens, ook in een Europese unie zou zich de vraag naar het interne evenwicht en de plaats daarin van de deelstaat Nederland voordoen.

Wanneer zelfs de voorzitter van de Europese Commissie, Jacques Delors, zegt dat als de Europese Gemeenschap niet een echte politieke indentiteit ontwikkelt, 'de Europese droom onvermijdelijk zal vervagen', weten we zeker dat er in het Europese integratieproces van geen automatisme sprake is. Met andere woorden: Nederland moet ook rekening houden met de mogelijkeid dat er geen Europese unie, met een buitenlands beleid, komt.

Het hoofdartikel gaat daar, zowel op 24 maart als op 24 januari, zelfs van uit. Als we die premisse volgen, dan lijkt de keus inderdaad te liggen tussen aansluiting bij de 'as Bonn-Parijs' en de positie van 'Angelsaksisch bruggehoofd op het vasteland'.

Maar ook die alternatieven gaan van onbewezen stellingen uit. In de eerste plaats: bestaat er een as Bonn-Parijs? Zo ja, dan heeft die de laatste anderhalf jaar onder zware druk gestaan. Zowel Frankrijk als Duitsland heeft meermalen cavalier seul gespeeld. Geen wonder, want de prioriteiten van beider buitenlands beleid dekken elkaar niet.

Maar ook als de as Bonn-Parijs werkelijkheid zou worden, zou de positie van Nederland als aanhangsel niet gemakkelijk zijn, want eigenlijk hebben Bonn en Parijs Nederland niet nodig om tot zaken te komen. Bovendien: in de methodiek van het zaken doen - dus los van het doel ervan - hebben de Nederlanders over 't algemeen meer gemeen met de Duitsers dan met de Fransen. Dat kan ook vervelende gevolgen hebben. In het begin van de jaren vijftig betitelden Franse onderhandelaars de Nederlanders, om die reden vooral, in de wandelgangen les boches du Nord.

Nu het alternatief: het Angelsaksische bruggehoofd. Dat staat en valt met het antwoord op de vraag hoe actief de Verenigde Staten zich met Europa zullen blijven bemoeien. Op het ogenblik is er grote verbittering over de, in hun ogen, geringe Europese bijdrage aan de oorlog in de Golf. De enige Europese bondgenoot die, alweer: in hun ogen, betrouwbaar is gebleken, is Engeland. Als Amerika's schaduw over Europa niet helemaal geweken zal zijn, zal haar aanwezigheid vooral in dat land merkbaar blijven.

Als dat zo zou blijken te zijn - maar nogmaals: de Golfoorlog kan elke bespiegeling over de toekomst zinloos hebben gemaakt - is de positie van Nederland als 'Angelsaksisch bruggehoofd op het vasteland' (als daar van de kant der Angelsaksers behoefte aan zou bestaan) nog niet zo'n ongerijmd alternatief. Het ligt ook meer in de lijn van onze geschiedenis dan de aansluiting bij een continentale as.

Ongetwijfeld zou dit betekenen dat dan ook afscheid genomen zou moeten worden van dromen over een Beneluxbeleid, want de Belgen - of ze nu Vlamingen of Walen zijn - neigen in laatste aanleg toch meer naar Frankrijk dan naar Nederland. Dat is ook in de Golfcrisis gebleken. Ook zonder te treden in de merites van ieders beleid, kunnen we in elk geval vaststellen dat de reacties van de drie landen, niet toevallig, wel heel verschillend zijn geweest. Dat voorspelt niet veel goeds voor een gemeenschappelijk beleid.

De punten van waaruit Nederlands koers uitgezet moet worden zijn onzeker geworden. Dat verleent iets onwezelijks aan beschouwingen als deze. Als dat de reden is waarom het ministerie van buitenlandse Zaken zich daar liever niet in begeeft (althans niet in de openbaarheid), dan is daar, achteraf, misschien nog iets voor te zeggen. Vrijblijvendheid, het voorrecht van de journalist, kan een bewindsman zich niet veroorloven.

    • J. L. Heldring