Literaire Tijdschriften

Samenhang tussen seks en dood NWT, 8ste jrg. nr. 1 Uitg. Dedalus Antwerpen, of 020-5518420; 80 blz. fl. 12, 50.

Gelijmd servies Tirade 331, 1990-6. Uitg. Van Oorschot, 94 blz. fl. 17, 50.

Schrijvers op weg naar roem The Quarterly 16, the magazine of new writing. 245 blz. $ 9.95. Imp. Van Ditmar Amsterdam.

Opnieuw psychoanalyticus Bruno Bettelheim (1903-1990) in het NWT: na zijn essay over levensgevaarlijke 'joodse struisvogelpolitiek' in het vorige nummer werd nu het titelessay van zijn laatste bundel opgenomen, Freud's Vienna.

Bettelheim probeert te verklaren waarom alle moderne behandelingsmethoden voor geestelijke afwijkingen - psychoanalyse, chemische medicatie en shock - zo kort na elkaar en in Wenen werden uitgevonden. Zijn theorie is van een fraaie onwaarschijnlijkheid: de Weense cultuur bloeide hevig rond de eeuwwisseling, terwijl tegelijkertijd het Habsburgse keizerrijk aan het vervallen was, en de psychoanalyse is juist gebouwd op inzicht in ambivalentie, hysterie en neurose, in de vreemde samenhang tussen seks en dood. Dit essay van Bettelheim staat ook in de zeldzaam mooie catalogus bij de Parijse tentoonstelling 'Vienne 1880-1938, l'apocalypse joyeuse' van 1986.

Dit eerste nummer van het NWT in 1991 is een verhalennummer, bedoeld als tegenwicht voor persberichten en nieuwsflitsen “omdat het verhaal nu eenmaal ingrijpender dingen vertelt dan een persbericht. (... ) Feiten worden geduid, maar nooit de absurditeit. Om ons daarmee te verzoenen is literatuur nodig.” J. M. H. Berckmans schreef een verhaal van een manisch-depressieve patient die een beroemd schrijver probeert te worden. Berckmans slaagt er niet goed in de lezer te verplaatsen in de geest van een Antwerpse zot, je blijft je er steeds van bewust dat hij dat aan het proberen is. “Het beste televisieprogramma vind ik het nieuws. Dat is het spannendste wat ik ken. Die Saddam Hussein. Die mag ik wel. Die zorgt tenminste voor leven in de brouwerij.”

Er staan nog twee andere verhalen in dit nummer, waarin ook een advertentie opvalt van Julien Weverberghs uitgeverij Houtekiet: “De springplank naar Nederland!” noemt hij zich. Kristien Hemmerechts verweeft in 'Mijn broer, Sarah, de maan en ik' twee geschiedenissen tot een intrigerend, bijna te samenhangend verhaal over twee broers. Het derde verhaal in dit nummer, waarin ook al de zelfmoord een cruciale rol heeft, is van de Tsjech Bohumil Hrabal en vrolijk absurdistisch.

Verder: Paul de Wispelaere over Een dasspeld uit Toela en het incasseringsvermogen van Maarten 't Hart, en foto's uit Rolling Stone, The Photographs.

NWT, 8ste jrg. nr. 1 Uitg. Dedalus Antwerpen, of 020-5518420; 80 blz. fl. 12, 50.

Gelijmd servies

“Lees poezie alleen wanneer je verkeert in een toestand van ontvankelijkheid voor poezie. Lees Nietzsche alleen wanneer je herstelt van een teleurstelling” - uit het 'Huishoudelijk reglement' van Tirade. In het gedicht van Marieke Jonkman dat waarschijnlijk toevallig net op de bladzijde naast dit Huishoudelijk reglement staat wordt poezie van Kopland gelezen op het schavot van het concentratiekamp Natzweiler. Krankzinnig idee, al helemaal na tientallen regels met de ideale voorwaarden voor het lezen of schrijven van poezie. Jonkmans gedichten doen erg denken aan die van Judith Herzberg, haar 'Binding' roept onweerstaanbaar op tot ontsluieren, net als 'Deze zichtbare' over, zo lijkt het, ontrouw en verloochening - “Begraaf ik je als je onzichtbaar blijft? - Dood ik je zichtbaar? Neem afscheid- voorgoed, voorgoed. (... )” Wat is Tirade in korte tijd veel interessanter en leuker geworden.

Dirk van Weelden spreekt in 'Twee procent' over zijn geliefde voorbeeld Gertrude Stein. “Op het eerste gezicht lijkt het proza van Stein op een gesneuveld en vervolgens provisorisch gelijmd servies.” Je kunt je afvragen of Steins duistere stijl uit zwakte ontstond (ze had niets bijzonders te vertellen), uit voorzichtigheid (om in een vreemd land haar vreemdheid als lesbische intellectueel in een rookgordijn te hullen), of desnoods uit zuiver literaire wanhoop - Van Weelden vindt dat ze anyway geslaagd is. “Zoals haar beruchte duisterheid een gevolg is van extreme eenvoud en precisie, zo is haar wanhoop haar avontuurlijkheid. Haar koppigheid haar vindingrijkheid, haar stompzinnigheid haar speelsheid en haar dogmatisme haar lyriek. Haar falen haar orginaliteit. Ze is er kortom in geslaagd van haar zwaktes haar sterkste punten te maken.”

Van Weelden ziet in Stein de Duchamps van de taal, en “een vooroologse, literaire Andy Warhol: alle onzin en eigenwijsheid zijn vergeven op het moment dat iemand een American Original wordt.”

Gerrit Krol vervolgt in dit nummer zijn zesdelige reeks 'Meesters over de tijd' met een beschouwing over het verschil tussen schaken en romanschrijven, over afstand, angst, spiritualiteit, en de voldaanheid na het schrijven van een regel in vier uur: “Bach, Beethoven - het houdt een keer op.”

K. Ruys schrijft een gekwelde, sentimentele brief aan een net overleden dierbare vriend van een vader en zijn zoon, 'oom Rob', die met een hartinfarct in een ziekenhuis belandde. “We keken. Een geweldenaar met kapotte vleugeltjes keek terug.” Geweldenaar oom Rob was een reiziger en avonturier die zich zo lang mogelijk met fantasieen en herinneringen verzette tegen de onvermijdelijke aftakeling.

En Bert Schierbeek in Tirade. “het tocht in de leden- van de mens hij- huivert zich door het land- genot en genade- geen hand in hand.”

Tirade 331, 1990-6. Uitg. Van Oorschot, 94 blz. fl. 17, 50.

Schrijvers op weg naar roem

Nog een huisregel, nu van The Quarterly: “Thou shalt not write to The Quarterly until thou hast striven to write thyself into history.”

Onuitstaanbaar eigenlijk dat van alle Amerikaanse literaire tijdschriften zo ongeveer alleen The Quarterly in Nederland te koop is. Gewoon en als vanzelf, omdat dit blad aan een grote literaire uitgeverij is gekoppeld, wat in de Verenigde Staten en trouwens de meeste landen niet gebruikelijk is.

The Quarterly staat dan wel vol met 'new writing' uit de States, maar nou niet altijd de meest belangwekkende. En er wordt geen enkele poging gedaan om het doen slikken van onbekend werk te vergemakkelijken door ernaast oude vertrouwde namen te bieden, van die beproefde tijdschriftformule moet Gordon Lish van The Quarterly niets hebben.

Lish, niet de minste onder de editors van Amerika, begeleidt in dit zestiende nummer van The Quarterly weer twintig jonge prozaschrijvers en bijna evenveel dichters op hun weg naar litertaire roem. Cecile Goding opent sterk met een wreed kort verhaal van viereneenhalve bladzijde waarin een verkrachting, roof, honger, een moord, en een hond die zich zonder het te merken dodelijk verwondt aan een scherpe rand van een conservenblikje. Dit alles in een overtuigende samenhang.

Verrassend genoeg staat er ook een toneeltekst - uiterst zeldzaam in literaire tijdschriften - in deze aflevering. Jacquelyn Reingold schreef een iets te doorwrochte eenakter met twee vrouwen die zich afspeelt op de stoep voor een New Yorks krantenstalletje. Patricia Lear kreeg van Lish 45 bladzijden voor een sleperig verhaal, 'Solance', zo'n verhaal waar je na 't lezen spijt van hebt. De belangrijkste mededeling van de hoofdpersoon is, ironisch genoeg, “I'll probably rather be somewhere else doing something else myself.”

Barbara Blewer ziet in 'I Am Safe and Live at Home' een grofstoffelijk Amerikaans echtpaar tegenover Japanse serene gratie, maar zonder tot een pointe te raken. Geen onverdeeld genoegen deze Quarterly.

Wel geestig is 'Magnificat' van Lisa Wohl, waarin de mensheid op zijn smalst wordt neergezet in een verdeling van rollen voor het jaarlijkse kerstspel op een schooltje. “Now on to the angels, cherubim and seraphim, et cetera (... ) I tell you, somtimes I think it is all greed, envy, and lust; greed, envy, and lust.”

En dichter David Kirby in 'Meine kleine Vagina': “I tell you, - When I met her, - I felt as if- I had been doing- the world's laundry- and finally found- the missing sock.”

The Quarterly 16, the magazine of new writing. 245 blz. $ 9.95. Imp. Van Ditmar Amsterdam.

    • Margot Engelen